Tags

, , ,

ADRIAAN PAUW ALS VERZAMELAAR VAN WAPENS, KUNST EN BOEKEN; DE BIBLIOTHECA HEEMSTEDIANA

Adriaan Pauw (1585-1653). Gravure door Anselmus van Hulle, 1648

Adriaan Pauw (1585-1653). Gravure door Paulus Pontius naar schilderij van Anselmus van Hulle, 1648. Uit: A.van Hulle. Les hommes illustres qui ont vécu dans le XVII siècle: les principaux potentats, princes, ambassadeurs et plenipotentiaires qui ont assisté aux conférences de Munster et d’Osnabrug avec leurs armes et devices. Amsterdam, David Mortier, 1717.

‘Ridder Hadrianus Pauw, Heer van Heemstede, is onder geleerden en belangstellenden bekend om zijn beroemde bibliotheek, die de reputatie heeft één van de meest opmerkelijke in Europa te zijn om zijn verscheidenheid aan gedrukte boeken’. (père Louis Jacob, in: Traicté des plus belles bibliothèques, 1644).

Talrijke malen is betoogd dat Adriaan Pauw een geheel andere levensstijl voerde als zijn eenvoudige vader, de calvinist Reinier Pauw, die in tegenstelling tot de zonen wars was van pracht en praal en zelfs de aan hem door de Engelse koning verleende titel van ridder niet voerde (1). Wat dat betreft is de Heer van Heemstede een kind van zijn tijd, die zijn via de handel verworven geld o.a. belegd in droogmakerijen in de Beemster en bij ’s Graveland en aankoop van een aantal heerlijkheden (2) en via een buitenplaats, geïnspireerd door buitenlandse verblijven vooral aan het Franse hof, de welstand van de buitenlandse adel tracht na te bootsen. Als zodanig wordt hij wel gerekend tot het prototype van het verschijnsel aristocratisering der stedelijke regenten in de Republiek. Na langdurige onderhandelingen – gedurende zijn hele leven was Pauw in processen gewikkeld – met de erfgenamen van de Amsterdamse koopman Hendrik van Hovijne kwam Pauw, toen al geridderd door de Engelse koning Jacobus 1, december 1620 als ambachtsheer in quasi-adellijke stand en sindsdien noemde hij zich op diplomatieke reizen: Heer van Heemstede. Bij de aankoop voor ƒ 36.000, – werd nog een aanzienlijk deel van zijn kapitaal geïnvesteerd om het verwaarloosde middeleeuwse kasteel te verfraaien, waarbij o.a. de torens werden opgetrokken en het Huis te Heemstede tot één van de grote 17de eeuwse lusthoven werd verheven, dat gelet op het aantal bewaarde schilderijen schilderijen, tekeningen en gravures tientallen kunstenaars heeft geïnspireerd.

Het Huis te Heemstede nar het schilderij van G.A.Berckheyde (1630-1695) in de periode dat Gerard Pauw, zoon van Adriaan Pauw eigenaar en Heer van Heemstede was

Het Huis te Heemstede naar het schilderij van G.A.Berckheyde (1630-1695) in de periode dat Gerard Pauw, zoon van Adriaan Pauw eigenaar en Heer van Heemstede was. Met een pauw op de grachtmuur en mogelijk staande met een andere regent afgebeeld.

Tulpomanie

Adriaan Pauw was een liefhebber van bloemen, vooral tulpen, en hij had langs de gehele gracht op korte afstand van elkaar tulpen geplant. Zij bibliotheek bevatte bij zijn overlijden liefst 1555 boeken op botanisch terrein.  De weerspiegeling van de rijkdom van Pauw kwam tot uitdrukking in de aanleg van een plantage met sier- en vruchtbomen (en het plaatsen van een tulpenbed in een glazen kabinet – in het tijdperk van de tulpomanie waaraan ook de Heer van Heemstede driftig meedeed – waarover zijn tijdgenoot Nicolaas van Wassenaar met bewondering schreef (3). Het kabinet met tulpen bevatte ‘rondom glasen in dewelcke alle de bloemen haar reflexie zoo cierlijck wierpen dat het scheen een Conincklyke stoel te wesen’. Dat was was volgends een tijdgenoot een vertoning die  toenmaals voor Oosterse pracht werd gehouden.

semper

De Semper Augustus tulp die Pauw op zijn buiten in Heemstede kweekte

bloemen

Gravure van o.a. een tulpenhandelaar die een tulp uit de tuin keurt

Wapencollectie in de Grote Sael ofwel Geweersaal

Adriaan Pauw was een groot verzamelaar van wapens die in de grote zaal bij aankomst in het kasteel waren opgesteld. Bekend is dat oorlogsmateriaal (kanonnen, geweren, harnassen, degens, lansen, vaandels etc.) afkomstig  van de slag bij het Manpad uit 1573 aanwezig was, evenals bijvoorbeeld de laarzen van Alva.  Door zijn zoon Gerard is de collectie nog uitgebreid met geweren e.d. uit Delft.  Boven de ingang van de geweerzaal was in koper een tekst van Henrick Bruno gegraveerd: ‘Pacem quam secundum pietatum post longam patientiam dedisti, conserva nobis domine’ ofwel De Vrede, die Gij ons overeenkomstig de vrome verwachting na lang geduld gegeven hebt, bewaar ons, Heer!’   Op 1 november 1796 is een inventarislijst van wat toen nog aanwezig was opgesteld. Aanwezig in het Heerlijkheidsarchief en als bijlage c gepubliceerd  door dr.J.C.Tjessinga in de boekuitgave ‘Het slot van Heemstede onder Adriaan Pauw’. 1949. Na afbraak van het slot is al dat materiaal voor weinig geld verkocht dan wel vernietigd. Een deel kwam via een koopman in handen van verzamelaar, kunstschilder en custos van het vm. Etnografisch Museum Amsterdam W.Hekking uit Amsterdam en daarmee  terecht in het Oude Doolhof, tegenwoordig in het Historisch Museum Amsterdam. Een ander deel zou zijn verhuisd naar het paleis in Soestdijk.

wapens

Detail wapenverzameling uit Beeldenzaal in het Oude Doolhof, circa 1845 getekend door Willem Hekking Jr. De laarzen van Alva en enkele schilden hingen bij het wapenrek waarin de steek- en slagwapens gerangschikt waren. Volgens een pentekening van Francois J.Pfeifer jr. uit 1833 hing aan de overliggende wand een identiek rek (bron: David en Goliath met zijn schilddrager; een beeldengroep uit het Oude Doolhof),  door Marianne Eisma, 1996

Archivaris N. de Roever schreef in Oud-Holland 6 (1888) een artikel over het (voormalig)  rariteitenkamer in  Amsterdam o.a. ‘De wapens uit het Doolhof gekomen zijn, afkomstig uit de wapenkamer onder Heemstede [hij publiceerde aanvankelijk ‘kasteel Marquette’ in Heemskerk, maar corrigeerde dat later in Heemstede]. Bij de slooping van dit kasteel in 1810 [per abuis is 1828 gepubliceerd] viel geheel de collectie in handen van een israëlitisch koopman, die ze weder aan den toenmaligen eigenaar van het Doolhof.  Deze deed op zijn beurt weer het grootste deel over aan een ander, en zoo kwam dit deel ten slotte op het Koninklijk Lustslot Soestdijk terecht. Wat er in het Doolhof bleek ging in 1862 aan de stad over. Het vormt thans eigenlijk de kerm der verzameling, het aantal hellebaarden, spontons en pieken werd met 26 vermeerderd en bestaat nu uit 36 stuks, het getal van rapieren en oude sabels groeide van 3 tot 17 aan, en er kwamen nog 11 schilden, 3 harnassen (wel te verstaan curassen), 1 lederen pantser, 1 ijzeren boog, 1 ijzeren walbus en nog een paar kleinigheden bij. Niet al deze voorwerpen zijn nog aanwezig. Het aantal schilden is geslonken tot vier en het lederen pantser is verdwenen. (…)’.

 

schildpadschild

Schildpadschild met het geslachtswapen van de Heren van Bennebroek, circa 1640-1650, afkomstig uit wapenzaal Heemstede, tegenwoordig  in het Historisch Museum Amsterdam. Het schild diende overigens niet als ter verdediging maar als decoratie.

 

Beeldentuin, Teclenburgse Poortje en Beeldentuin

In het kasteel werden tapijten, gobelins en afbeeldingen op linnen en/of bordpapier opgehangen. In 1644 werd de houten brug van voorhof naar het kasteel ter overbrugging van de ringgracht door een stenen brug met sculpturen [afkomstig van de afgebroken Marepoort in Leiden] , de zogeheten Pons Pacis ofwel Brug van de Vrede, ter nagedachtenis aan de afkondiging van de Vrede van Munster.

vredesbrug.jpg

De Pons Pacis ofwel Vredesbrug met Wesermotief, met aan het begin twee stenen leeuwtjes met heraldische wapens, is in 1646 gebouwd uit de restanten van de gesloopte Marepoort uit Leiden. De stenen bollen waren afkomstig uit Osnabrück en de Tower in Londen. Vorige eeuw zijn bij een restauratie van ernstig aangetaste brug enkele stenen bollen vervangen door nieuwe.

tecklenburg

Het zogeheten Tecklenburgsde Poortje dat oorspronkelijk bij de entree van het in 1810 gesloopte kassteel stond bleef gelukkig bewaard en is geplaatst als een ingang bij het Nederhuys. Het is omstreeks 1648 vervaardigd uit steenmateriaal afkomstig van de ruïne van Tecklenburg bij Bentheim in Westfalen

Naar antiek voorbeeld zag men op het binnenplein een galerij vol merkwaardige afbeeldingen van Koningen en Grieks/Romeinse goden Beelden ook van Keizer Karel V en de Engelse Koning Hendrik de Achtste, vrouw met de hiëroglyphen, de Faam, Sater en Nymfen, Rusticus (de Boer) en Rustica (de boerin). In 1630 had zoon Nicolaas Pauw bij zijn huwelijkreis naar Italië uit Rome de Renaissancebeelden meegenomen van o.a. Apollo, Mercurius, Mars, Venus, Cesrs en Bacchus. Deze zijn in 1645 definitief door Adriaan Pauw in de tuin van zijn kasteel geplaatst. Door o.a.de weersomschadigheden en de tand des tijds beschadigd zijn in 1763 in het werkhuis opgeslagen en sinds de afbraak van het slot in 1810 spoorloos, vermoedelijk vernietigd.

venus1

Vogelvluchttekening op het slot van Heemstede met plantage, voorplein, Duivenpoort, poort en beide bijgebouwen, waarvan tegenwoordig het zgn. Nederhuys naast de poort nog resteert als commercieel sociaal-cultureel centen. In het midden van het voorplein een van de Benheimse zuilmet beeld van Venus  (anonieme tekening van na 1647 in Heerlijkheidsarchief Heemstede) .

venus

Piëdestal van Namense steen, waarbij op een zuil waarop het Italiaanse Renaissancebeeld van Venus stond.  Op deze steen de tekst van Bruno: “veneris Gracae in columna Benthethemiensi statua collocata 1647′ (= Het Beeld van de Griekse Venus is op de Bentheimse zuil geplaatst in 1647)

ceres

Beeld van de godin Ceres dat tot circa 1950 in de tuin van Huis te Bennebroek stond.

sater.png

Saterbeeld, dat mogelijk afkomstig is van het Oude Slot.

 

De beeldentuin van Pauw heeft onder meer tot voorbeeld gediend voor het buiten ‘Groeneveen’/Papenburgh’ in Santpoort van de Amsterdamse president-schepen en geleerde Gerard van Papenbroeck (1673-1743).

papenburg

Gezicht op de vroegere hofstede Papenburg in Santpoort met enkele van de antieke marmeren tuinbeelden, op een gravure van Hendrik de Leth uit ‘Het Zegenpralent Kennemerlant’, circa 1730.

 

 

Aanwinsten van de oude en de nieuwe tijd, waaronder curiositeiten verworven via de VOC (4) werden opgesteld in het slot, op het binnenplein en in de tuinen. Zijn oudste zoon Nicolaas bracht na een huwelijksreis in 1630 naar Italië beelden mee van o.a. Venus, Ceres, Mars, Mercurius, Apollo, Bacchus en andere klassieke goden. Deze zijn in 1763 nadat ze door de weersomstandigheden ernstig te lijden hadden gehad,  verwijderd, in een van de bijgebouwen, gesproken wordt van ‘het werkhuys’,  opgeborgen en sinds de afbraak en veiling in 1810 spoorloos (5). Gipsen afgietsels van de beelden bevonden zich tot de opheffing in 1926/1927 in het Museum voor Kunstnijverheid in het Paviljoen (huize Welgelegen) te Haarlem.  Evenals de sculpturen met Wesermotief van de Vredesbrug waren deze afgietsels voorbeelden voor leerlingen van de aan de Dreef gelegen Kunstnijverheidsschool, officieel geheten ‘School voor bouwkunde, versierende kunsten en kunstambachten’ aan de Dreef. Uiteindelijk kwamen de beelden in het bezit van de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag en daar zijn ze in de jaren zestig van de vorige eeuw helaas vernietigd!

burcht

Recente foto van de burchtruïne in Tecklenburg, door Pauw bezocht in 1646

 

Naar Heemstede overgebracht werden bouwfragmenten uit de burcht van Tecklenburg (Bentheim-Westfalen), en opgegraven Romeinse vesting ‘De Brittenburg’ bij Katwijk. Verder zuilen uit o.a. Carthago, Ierland en Bentheim en stenen bollen van de Londense Tower en Osnabrück. Ook zuilen vervaardigd naar het voorbeeld van de zuilen va Hercules. Een groot panorama van Constantinopel, vermoedelijk vervaardigd door de Deen Melchior Lorisch die enige tijd in het Ottomaanse rijk verbleef (6) , besloeg de wanden van de ‘Camer Constantinopelen’. Het werd door de gezant van de Republiek in de Levant Cornelis Haga aan de Staten-Generaal geschonken en is naar wordt aangenomen via diens secretaris, tevens consul in Aleppo, Cornelis Pauw – een broer van Adriaan die regelmatig met hem correspondeerde over Levantse zaken – in Heemstede terechtgekomen. In 1767 is het gerestaureerd. H.Potter noemt het in zijn reisbeschrijving van 1808 (7), vervolgens ontbreekt elk spoor. Adriaan Pauw verzamelde voor onder andere Constantijn Huijgens, secretaris van prins Frederik Hendrik, maar ook voor zichzelf Oost-Indische rariteiten, die hij verkreeg via de VOC-schepen; Pauw was bewindhebber van de Kamer Amsterdam. Uit een inventarislijst is bekend dat zich in het Huis te Heemstede hebben bevonden: een heidense afgod met twee kruiken, pijl en bogen, een tijgervel, kris, verschillende hoorns van tropische dieren, schilden, vergulde landen met kokers e.d. Zeer bijzonder moet Pauw’s verzameling van schiettuig geweest zijn, waarvan enkele wapens bewaard. De dichter-toneelschrijver Pieter Langendijk herdacht in zijn ‘Lofkrans van de Stadt Haerlem ’dit kleine arsenaal met de volgende regels: ‘Voorts doemt zich Heemstede op, een aad’lijk slot aan ’t Spaaren, waarin men wapens van ’s lands graven ziet bewaaren, met vuurslotpieken, en meer ander moordgeweer der Spaansche dwing’landy (…)’ Deze verzameling is later uitgebreid door zijn zoon Gerard met wapens afkomstig uit Delft. In 1796, enige jaren voor de veiling – veel was toen al na bijna anderhalve eeuw verdwenen of beschadigd geraakt – waren volgens een door W.Dolleman opgestelde lijst o.a. aanwezig: 75 verschillende geweren, 60 lange pieken, 26 degens en houwers, 30 hellebaarden, 8 kanonnen, voorts musketten, werpspietsen, harnassen, toernooi-lansen, schilden van schildpad enz. Eén van de uitgestalde sabels was opgegraven aan de Heerenweg en heette afkomstig te zijn van de Slag bij het Manpad in 1573, waar een legertje Hollanders onder leiding van Batenburg (en onder wie als vrijwilliger de jonge Johan van Oldenbarnevelt, die als door een wonder wist te ontsnappen) door de Spaanse belegeraars werd afgemaakt. Een deel van de wapens schijnt via omwegen in het rariteitenkabinet van het gemeentearchief in Amsterdam te zijn terechtgekomen en vervolgens in het Historisch Museum van de hoofdstad.

Detail uit Beeldenzaal in het Oude Doolhof van Amsterdam met wapenverzameling. Pentekening van Willem Hekking jr.

Detail uit Beeldenzaal in het Oude Doolhof van Amsterdam met wapenverzameling. Pentekening van Willem Hekking jr.

Een ander deel, in het bezit van de heer W.Hekking (destijds custos van het etnologisch museum in Amsterdam) is aan het eind van de 19de eeuw geëxposeerd geweest in ‘Amicitia’. Over het boelhuis dat in 1810 plaatshad voordat het slot van Heemstede werd gesloopt is met geen woord gerept in de toenmalige pers. Jacob van Lennep, die gedurende de zomermaanden regelmatig in het buitenhuis van zijn vader op Huis te Manpad in Heemstede vertoefde kwam hier op terug in een voetnoot bij de door hem geredigeerde Vondel-verzameleditie als toelichting op het gelegenheidsvers: ‘Ridderlinck bancket voor den heer Adam van Lockhorst en joffer Kornelia Pauw’. Van Lennep noteerde: ‘’Dit Huis te Heemstede werd in den jare 1460 opgebouwd, door Jan, Heer van Heemstede, nadat vorige sloten. In 1394 op last van Hertog Aelbrecht (uit wraak over den moord op Aleid van Poelgeest bedreven), en waaraan de toen levende Heer van Heemstede medeplichtig was), en in 1404 door de Haarlemmer Kabeljauwschen waren omgehaald. Het werd, met de Heerlijkheid, in 1472 overgedragen aan Lodewijk van Brugge, Heer van Gruithuizen, Stadhouder van Holland, door wiens overdracht in 1486 aan Roelant le Febure = die Hedwig, dochter van bovengemelden Jan van Heemstede, in huwelijk had, – de Heerlijkheid aan het oude stamhuis terugkeerde. In 1554 ging zij door verkoop in andere handen, totdat zij in 1620, met Bennebroek vereeuwigd, gekocht werd door Adriaan Pauw. Het slot, gestadig vergroot en verbeterd, was wellicht het fraaiste, dat in Holland was aan te wijzen. Ik herinner mij nog flauw de prachtige standbeelden, waarmede het voorportaal prijkte, de keurig gebeitelde opschriften en wapenborden, en de groote zaal , die een waar arsenaal bevatte van middeleeuwsche rustingen en handwapenen: ’s zomers alle Zondagen, als ik met mijn grootvader naar Heemstede ter kerke reed, uit het geboomte zag oprijzen, door sloopers handen wreedaardig werd vernield. Nimmer ging de verwoestende hand van het Vandalisme op meer barbaarsche te werk dan te dezer gelegenheid. ’t Is waar, de liefde voor de middeleeuwsche gedenkwaardigheden was toen nog niet, als later, ontgloeid, en de gevolgen der treurige beroeringen, welke men had doorgestaan, en waarvan men het eind nog niet voorzag, maakte de ingezetenen huiverig om hun geld aan kuriositeiten te besteden, en deed zelfs de slooping van het kasteel van Heemstede schier ongemerkt plaats hebben; – doch hier traden nog bovendien de verkoopers, door hun slordigheid en onoplettendheid, hun eigen belang met voeten. Fraaie marmersteenen met Romeinsche inschriften, door een der Pauwen uit Italien meegebracht, en welke mijn vader aan den rentmeester van ’t slot gelast had voor hem te koopen, werden voor een spotprijs aan steenkoopers weggeworpen: lansen en degens, waarvan de scheeden en gevesten van louter goud waren, gingen voor oud yzer weg: in een woord, ’t was of men zich had toegelegd, hier alles wat waarde had, te versmijten. Het eenige wat mijn vader van de geheele verkooping bekwam, was een schildery, een Vaandrig voorstellende, en voor welke hy, geloof ik, acht gulden betaalde, en welke Vaandrig, hangende in de kamer waarin ik sliep, my alle morgen bij ’t ontwaken met norsche blikken aanzag en een heimelijke angst inboezemde. Wat van hem geworden is, weet ik niet.’ In de kerk te Heemstede prijkt nog altijd de cierlijke graftome van het geslacht Pauw, en de vogel die boven zijn blazoen de vederen uitspreidt, stond nog voor weinige jaren op de koepel der kerk te Bennebroek, welke bevallige koepel thans vrij onhandig in een alledaagsch torentje veranderd is.’

In deze studie gaat echter onze aandacht uit naar Adriaan Pauw als bibliofiel, die in bijna een halve eeuw verzamelen bijna 16.000 boeken bijeenbracht en nadat een aanzienlijk deel vanaf 1654 afzonderlijk al een bestemming had gekregen uiteindelijk in 1656/157 in twee gedeelten op de Grote Zaal in ’s-Gravenhage is geveild. Enkele jaren geleden is een klein deel van de “Bibliotheca Heemstediana’ teruggevonden in de wetenschappelijke bibliotheek van Wolfenbüttel. De archieven en kaarten bleven ook na de sloop van het kasteel in 1810 bewaard en dat materiaal kwam uiteindelijk terecht in het gemeentearchief van Heemstede, en bevindt zich tegenwoordig in het Noord-Hollands Archief te Haarlem

P.Soutmann en Cornelis Visscher: gravure van Adriaan Pauw in zijn bibliotheek met de boeken naar de gewoonte van die tijd met de snede naar voren geplaatst, naar een schilderij van Gerard van Honthorst uit 1647

P.Soutmann en Cornelis Visscher: gravure van Adriaan Pauw in zijn bibliotheek met de boeken naar de gewoonte van die tijd met de snede naar voren geplaatst, naar een schilderij van Gerard van Honthorst uit 1647

handtekening

Handtekening van Adriaen Pauw, Heer van Heemstede, onder een eigenhandig geschreven akte van aanstelling van schout Johan van Asch tot Houtvester Particulier en Pluimgraaf van het Huis te Heemstede, de dato 10 juli 1625 (Heerlijkheidarchief Heemstede)

 

De Bibliotheca Heemstediana

Adriaan was “bezich de allergrootste, allercurieuste en vermaertste liberije te maken van heel Duitslant en Nederlant” (Apologia voor de Heer Adriaen Paeuw, Heer van Heemstede, 1652)

apologia

Voorzijde van het pamflet: Apologia voor den Heer Paeuw, Heere van Heemstede, door een Uytlander, 1652

apologia1

Enkele passages over de Librije van Koning Karel 1 uit het pamflet ‘Apologia’ uit 1652

 

Over het vermogen van Adriaan Pauw verstrekt H.P.Fölting de volgende gegevens: ‘In het jaar 1627 beheerde hij een vermogen van ƒ 350.000,- . Op het kasteel bezat hij een uiterst kostbare bibliotheek bestaande uit 16.000 delen. Zijn tweede vrouw Anna van Ruitenburgh liet bij haar overlijden in 1648 een bedrag van ƒ 400.000,- na voor de kinderen.’ Hieraan kan worden toegevoegd dat in 1638 de rijke erfenis van Reinier Pauw onder vijf kinderen zijn verdeeld. In 1631 werd diens vermogen geschat op ƒ 200.000,-, wat in de laatste jaren van zijn leven nog is vergroot. Ter vergelijking: het jaarsalaris van raadpensionaris bedroeg in die tijd ƒ 3.000,-; de predikant in Heemstede had een traktement van ƒ 500,-; de tuinman van Pauw ontving ƒ 300,- en de dorpsonderwijzer moest met ƒ 30,- en wat bijverdiensten als koster e.d. zien rond te komen. Adriaan Pauw was als koopman en reder rijk geworden in de handel op de Oostzee, het Middellandse Zee-gebied van vooral hout, zout, granen en zuivelproducten. Zijn vader Reinier Pauw, koopman en regent was één van de oprichters van de Compagnie van Verre (1594) en met Hendrik Hudde de voornaamste bewindvoerder in de Vereenigde Geoctroyeerde Oost-Indische Compagnie (na 1602). Na zijn studie in de rechten te Leiden vestigt Adriaan Pauw zich in het voetspoor van zijn vader als koopman in Amsterdam op de Dam en van 1618-1641 was hij bewindhebber van de V.O.C., Kamer Amsterdam en was hij van 1611 tot 1628 pensionaris (secretaris) van de stad Amsterdam . Van zijn vader had hij de hem toegekende eigenschappen van onstuimigheid en doorzettingsvermogen geërfd. Schril is echter het contrast tussen de eenvoud van de vader en de pronkzucht van de zonen. Tussen 1610 en 1630 waren de Pauwen (Adriaan als pensionaris, diens broer Michiel als schepen en Reinier als burgemeester) oppermachtig in het stadsbestuur, daarna traden telgen uit het geslacht De Graeff en vooral de familie Bicker (‘De Bickerse Lique’) op de voorgrond. Adriaan Pauw had als liefhebberij het verzamelen. In het door hem van een middeleeuws kasteel in een Renaissancistisch lusthof omgebouwde slot was de wapencollectie op de begane grond bijeengebracht, in de zogeheten ‘Geweerzaal’ of ‘Groote Zaal’. Er was o.a. een tapisseriënkamer, comptoir (=archiefbewaarplaats) en een biljartruimte De bibliotheek was het privé-eigendom van de ambachtsheer-staatsman en in de boven- vertrekken gevestigd. Zoals uit het Reglement op den Huize uit 1644 blijkt strikt verboden voor onbevoegden, zelfs voor de familieleden waarbij hij in eerste instantie aan de kleinkinderen, die vooral in de zomermaanden veelvuldig in Heemstede vertoefden, gedacht zal hebben. Bezichtiging van het kasteel bij afwezigheid van Pauw kon door de rentmeester slechts worden toegestaan ‘aen bekende en gequalificeerde personen. Maar de Camers daer de boecken zijn sullen voor niemant geopent, maer gesloten gehouden werden.’

Henricus Bruno's tekst op de Bibliotheca Heemstediana

Henricus Bruno’s tekst op de Bibliotheca Heemstediana (Archief Heemstede)

De Neolatijnse tekst van Henricus Bruno, 1649

De Neolatijnse tekst van Henricus Bruno, 1649

De gelegenheidsdichter Henricus Bruno (8), die in zijn baantjes als gouverneur van de kinderen van Constantijn Huygens (9), vervolgens als conrector van de Latijnse School in Hoorn weinig gelukkig was, ambieerde zoals blijkt uit de bewaard gebleven correspondentie een functie als bibliothecaris op het Huis te Heemstede en maakte o.a. een wat overdreven vers op de Heemsteedse bibliotheek. Geschreven in het Neolatijn luidt de letterlijke vertaling: ‘Op de uiterst leerrijke Heemsteedse Bibliotheek van de seer voortreffelijke Here, den Heer Adriaan pauw, Ridder in de orde van Sint Michaël, Ambachtsheer van Heemstede, van Hogersmilde en van naburige plaatsen, herhaaldelijk gezant naar de Koningen Franse en de Britse landen en van Denemarken en naar onderscheidene autoriteiten in Duitsland, laatstelijk met volle macht bekleed Gezant terzake van de onderhandelingen te Munster over de Spaans-Nederlandse vrede, vooraanstaand bevorderaar van de veiligheid van de Staat, verdienstelijk voor het vaderland in de hoogste mate, binnen en buiten de grenzen, altijd en overal. Rome, laat mij met uw welnemen zeggen: indien deze bibliotheek, die grootse schatten, opgestapelde banden, doch niet haar eigenaar omvat, door een rechtvaardig beoordelaar vergeleken zou worden met uw boekerij, dan zou, als wij de maat van de grootse eigenaar mee in rekening zouden brengen, één Heemsteedse tegen twee Vaticaanse bibliotheken opwegen’.

handschrift

Het handschrift van Henricus Bruno betreffende opschrift Bibliotheca Heemstediana (Heerlijkheifdsarchief Heemstede)

 

bruno

Gegraveerd portret van Henricus Bruno – met Latijns vers van C.Huijgens  -door R.A.Persijn vervaardigd

Om in de eigen bibliotheek als inscriptie aangebracht te worden stuurde Bruno in 1649 de volgende tekst naar Pauw: ‘Doctrina juvenibus sobrietas, senoribus solatium pauperibus divitiae, divitibus ornamentum est’, dat zoveel betekent als: ‘De wetenschap betekent voor de jongelingen ingetogenheid, voor de ouderen troost, voor de armen rijkdom en voor de rijken sieraad’. De Franse priester-geleerde Louis Jacob (10) was de eerste die in 1644 een universele bibliotheekgeschiedenis publiceerde met herdrukken in 1655 en 1668. Een eerdere publicatie van Justus Lipsius: ‘De bibliotecis syntagma’ (Antwerpen, 1602) beperkte zich tot bibliotheken in de klassieke Oudheid. Het werk van Jacob bevat overigens heel wat onvolkomenheden en onnauwkeurigheden (11). Ten aanzien van Pauw’s bibliotheek heeft hij zijn kennis duidelijk van horen zeggen en deze niet zelf bezocht, gelet op de vermelding van Den Haag in plaats van Heemstede. Letterlijk schrijft hij – in vertaling – : Ridder Hadrianus Pauw, Heer van Heemstede, Ambassadeur van Holland onder onze koning Lodewijk XIII en op het ogenblik plenipotensionaris bij de algemene vredesbesprekingen in Munster, staat niet slechts bij alle vorstenhuizen om zijn grote geest, maar ook onder geleerden en belangstellenden om zijn zeer beroemde bibliotheek die hij in Den Haag heeft opgericht, welke de reputatie heeft één van de meest opmerkelijke in Europa te zijn om zijn verscheidenheid aan gedrukte boeken evenals manuscripten die zijn samengebracht. Door de Hollanders zelf wordt de waarde van deze boekerij getaxeerd op meer dan 400.000 franken.’

Amsterdam

raadhuis

Het oude raadhuis van Amsterdam op een schilderij van Pieter Saenredam. Adriaan pauw werkte hier van 1611 tot 1627 als pensionaris. Zelf woonde Pauw ook op de Dam. Rechts van het stadhuis was een boekhandel gevestigd waar Pauw vermoedelijk vaste klant was.

 

De periode dat Adriaan Pauw zijn verzameling opbouwde – van 1610 tot 1627 vanuit Amsterdam; van 1628-1653 vanuit Den Haag – de eerste helft van de 17de eeuw, viel samen met de bloei van het boekbedrijf in Noord-Nederland, vooral in Amsterdam, dat geleidelijk – met uitzondering van Plantijn-Moretus de rol die drukpersen in Antwerpen had vervuld overnam. Na de inname van Antwerpen door de Spanjaarden in 1585 vestigden vele Zuid-Nederlanders zich, o.a. als boekverkoper, in Amsterdam en Leiden. Nog ongeveer de helft van de boekproductie betreft godsdienstige boeken en stichtelijke publicaties, allengs worden meer letterkundige werken, kronieken, reisverhalen, ordonnanties, atlassen, schoolboeken etc. uitgegeven. In 1600 telt de stad ongeveer 40 boekhandels, een kwarteeuw later ruim tachtig en in 1675 zelfs 180. Pauw schaft niet enkel eigentijdse werken aan maar koopt ook antiquarische boeken uit de 15de en 16de eeuw. Ook tijdens zijn diplomatieke reizen naar steden als Hamburg, Parijs en Londen neemt hij de gelegenheid te baat, vanwege zijn rijkdom weinig gehinderd door financiële belemmeringen, zijn bezit voortdurend te vergroten. In 1627 heeft hij zijn tot dan bijeengebrachte boekenschat naar zijn buitenverblijf in Heemstede overgebracht. Bij gelegenheid van het huwelijk van Pauw op 7 februari 1610 met Anna van Ruitenburgh in de Oude Kerk te Amsterdam maakte de dichter G.A.Bredero een bruiloftslied: een romantische bruiloftszang 12 strofen bevattende. Het ‘Triumph Liedt van Cupido’ dat werd opgenomen in de bundel ‘Apollo of Ghesang der Musen….’(Amsterdam, Dirck Pieterszoon). Vaststaat dat Pauw nauwe banden onderhield met Johan Blaeu (1596-1673) van het huis Blaeu, dat zou uitgroeien tot een van de vermaardste boekproducenten in Europa. Joan Blaeu was evenals zijn vader kaartenmaker voor de Oostindische Compagnie. Roem verwierf hij met de ‘Atlas Maior’ die met andere folianten zoals de ‘Zeespiegel’ van Willem Janszoon Blaeu (1571-1638) door Pauw werd aangeschaft.

In de Atlas Maior van Blaeu is de kaart van Zwitserland en de Alpen opgedragen aan Hadrianus Pauw

In de Atlas Maior van Blaeu is de kaart van Zwitserland en de Alpen opgedragen aan Hadrianus Pauw

Ook de atlassen van Gerard Mercator en Abraham Ortelius ontbreken niet. Grote aardrijkskundige werken, behalve uiteraard in Amsterdam en Antwerpen (Plantin-Moretus), verschenen in Parijs, Keulen, Frankfurt, Venetië, Rome. Londen en Bazel. O.a. de befaamde ‘Geographia’ van Ptolemaeus verzamelt Pauw in niet minder dan negen edities (Ulm, 1482, Rome 1508 etc.). Ofschoon niet uit de veilingcatalogus kan worden afgeleid suggereert Ch. Patin (12) dat Pauw ook een kaarten-verzamelaar was. In ieder geval zijn de talrijke kaarten in opdracht van Adriaan Pauw vervaardigd door Balthasar Floriszoon van Berckenrode, Hendrik Symonszoon Duyndam en anderen in Heemstede op het Huis gebleven (13) buiten welke betrekking hadden op zijn ambachtsheerlijkheden. In regelmatig contact stond Pauw ook met de geleerde predikant en wetenschappelijk cartograaf Petrus Plancius, die in 1587 te Amsterdam was beroepen.

plancius

Portret van predikant en geograaf Petrus Plancius (1550-1622) (door anonieme graveur)

 

Als afgevaardigde van de Amsterdamse kerkenraad (tevens fel contraremonstrant) confereerde Plancius dikwijls met de vroedschap van Amsterdam in de periode dat Pauw als pensionaris fungeerde, afwisselend ten stadhuize en in de ‘kercke-kamer aen de nieuwe zijde;’. Zijn kaarten werden veelvuldig gebruikt op de V.O.C.schepen die op de wereldzeeën voeren. Zijn zoon Isaäc Plancius , proponent in Amsterdam, zou 1624 als predikant van de kerk in Heemstede door Pauw worden benoemd.

Adriaan Pauw had ook belangen in de Compagnie der Duitse Papieren, die onder leiding van Cornelis van Lockhorst, welke zich met de boekhandel bezighield, op grote schaal papier uit Duitsland en Zwitserland ging importeren. Aanvankelijk op de Dam was hij sedert 1611 in de ‘Pampierbale’ in de Warmoesstraat gevestigd. De zestienjarige dochter Anna van Lockhorst wier vader Cornelis één jaar tevoren was overleden en ƒ 310.000,- naliet, trouwde in 1630 met een groot festijn op het Huis te Heemstede met Adriaan Pauw’s oudste zoon Nicolaas Seys Pauw. Het toeval wilde dat leden van dit van oorsprong Stichtse geslacht gedurende de tweede helft van de 16de eeuw (tot 1607) bezitters waren geweest van Huis en Heerlijkheid Heemstede. Dankzij dit huwelijk gaat Roelandt van de Perre het boekhouderschap van de compagnie van Duitse papieren bekleden (14).

’s-Gravenhage

Gezicht op de Herengracht in de richting van de Bezuidenhout. Rechts op de voorgrond de residentie van Adriaan Pauw. Gravure van A.van der Laan naar een tekening van Daniel Marot, uitgegeven door Anna Beek. In het perceel Herengracht 13-15 verbleef tijdens Pauw's afwezigheid in Munster van 1646 tot 1648 de prins van Portugal Don Guillermo. Later wonde hier Gijsbert van Hogendorp en in de vorige eeuw o.a. de acteur Eduard Verkade. Tegenwoordig bevindt zich hier een bar en bodega (Gemeentearchief Den Haag)

Gezicht op de Herengracht in de richting van de Bezuidenhout. Rechts op de voorgrond de residentie van Adriaan Pauw. Gravure van A.van der Laan naar een tekening van Daniel Marot, uitgegeven door Anna Beek. In het perceel Herengracht 13-15 verbleef tijdens Pauw’s afwezigheid in Munster van 1646 tot 1648 de prins van Portugal Don Guillermo. Later woonde hier Gijsbert van Hogendorp en in de vorige eeuw o.a. de acteur Eduard Verkade. Tegenwoordig bevindt zich hier een bar en bodega (Gemeentearchief Den Haag)

Vanwege zijn benoeming tor Raad- en Rekenmeester der Grafelijkheidsdomeinen van Holland en West-Friesland verhuisde Pauw in 1627 naar ’s-Gravenhage waar bij een pand kocht aan het Oosteinde van de Poten – thans Herengracht 13A, dat in de loop der jaren via aankoop van belendende percelen uitgroeide tot een heel complex. Tijdens zijn verblijf in Londen in 1628 brandde op 28 november het fraaie gebouw van de Hollandse ambassade aan het Strand uit, waar Adriaan Pauw als gezant logeerde. Kostbare gobelins en boeken gingen verloren. De brand was ontstaan ten gevolge van onvoorzichtigheid van dienstboden. Naar aanleiding van deze calamiteit schrijft de Heer van Heemstede aan zijn vertrouweling Adriaan Boot – de latere secretaris van de Gedeputeerden der Ned.Oost-Indische Compagnie te Londen – ‘onse domesticquen’ te vermanen voorzichtig te zijn met kaarsen, daarbij refererend aan zijn rijke boekenschat. In 1631 volgde Pauw’s benoeming tot Raadpensionaris ofwel Landsadvocaat en Grootzegelbewaarder on ontving hij automatisch alle publicaties van de Landsdrukkerij, na 1621/’22 uitgegeven door ‘de weduwe en erfgenamen van wijlen Hillebrant Jacobsz. Van Wouw’.

wouw

Officieel drukwerk van de weduwe Van Wouw (K.B.Den Haag – Boeken in de hofstad)

 

Deze gaf in eerste instantie ordonnanties, costumen, keuren, handvesten, instructies e.d. uit, maar bijvoorbeeld ook, in 1631, een van de bekendste juridische werken uit de geschiedenis: ‘Ínleiding tot de Hollandsche Rechts-Geleertheid’ van Hugo de Groot. Machteld van Pauw, die aan de Oostzijde van Pauw’s Haagse residentie een erf had, werkte op een aangename wijze samen met de Staten-Generaal en werd er zelfs een van de rijkste personen in Den haag van. In 1654, zeven jaar voor haar dood, bedroeg haar vermogen ƒ 225.000,-.

Mazarin3.jpg

Kardinaal en staatsman Jules  Mazarin, van 1642-1661 eerste minister van Frankrijk in de beeldengalerij van zijn paleis. Gravure van Robert Nanteuil. Vanaf 1621 had Adriaan Pauw als gezant van de Staten-Generaal contacten met De Richelieu en diens opvolger Mazarin. Belde kardinalen-staatsmannen waren ook verzamelaars van beelden en vooral boeken en het is aannemelijk dat door hen het verzamelvirus bij Pauw is aangewakkerd. Gabriel Naudé was als bibliothecaris eerst in dienst van de Richeleu, vervolgens van Mazarin en voor laatstgenoemde verzamelde hij 45.000 boeken die volgens een door hem ontwikkeld systeem waren geordend en in 1648 is de nog bestaande Bibliothèque Mazarin oin Parijs voor het publiek opengesteld.

Tijdens Pauw’s gezantschap in Parijs en later (door prins Frederik Hendrik gedwongen) verblijf als raadpensionaris in Parijs van 1634-1636 had Pauw menigmaal contacten met de kardinalen-staatslieden Jules Mazarin (1582-1642) en Armand Jean du Plessis, bekend als de Richelieu (1600-1653), allebei fervente boekenverzamelaars. Eerstgenoemde stichtte de nog bestaande Bibliothèque Mazarine en de Richeleu liet zijn boekerij na aan de Sorbonne. Gabriel Naudé, bibliothecaris van Henri II de Mesmes, president van het Parijse parlement had in 1627 zijn ‘Avis pour dresser une bibliothèque’ gepubliceerd. In 1647, toen in dienst van Mazarin maakte deze een reis naar Holland om boeken te verzamelen voor zijn broodheer. Het is aannemelijk dat Pauw zich in zijn plannen heeft laten inspireren door zowel Mazarin als Naudé.

Zoals in Amsterdam bij de Beurs, vestigden zich in Den Haag vele boekhandelaren op de (Grote) Zaal, op het Binnenhof, die diende als wandelgang en voorhal van de daarachter gelegen Regeringscolleges. O.a. De Elzeviers, Abraham de Hondt, Burchoorn (15), David Cyprus, Abraham Troyel. Nadat Leiden het spits had afgebeten werden in de 17de eeuw ook in Amsterdam en Den Haag (verder in Dordrecht en sinds 1645 op het Prinsenhof, later Heerenlogement. Te Haarlem) regelmatig boekveilingen gehouden. In Den Haag vooral bij Elsevier en Voorhoeve met zowel boekencollecties uit de residentie als verzamelingen elders dan Den Haag gelegen. Op de Grote Zaal naast de Rekenkamer en Staten-Generaal gelegen, heeft Pauw een groot van zijn boeken gekocht. Bij één van de boekverkopers, Hendrik de Swaef, zou in 1656/’57 zijn boekerij geveild worden. Bij gebrek aan gegevens kan niet worden geverifieerd, maar het wordt uitermate waarschijnlijk geacht dat Adriaan als oudste zoon èn bibliofiel in 1636 de boeken zal hebben geërfd van zijn vader Reinier, van wie bekend is dat hij een groot aantal calvinistische geschriften in zijn bezit had (16).

binnenhof

Het Binnenhof met de Ridderzaal op een ingekleurde ets van Joan Blaeu uit diens Stedenatlas van 1649  Links de galerij waar o.a. een aantal boekhandelaars gevestigd was en Pauw naast zijn drukke politieke werkzaamheden graag vertoefde en talrijke boeken voor zijn bibliotheek heeft aangeschaft.

De meningen van Frederik en De Fouw geëvalueerd

J.G.Frederiks (zie literatuuropgave) bijbels uit zijn korte schets van Pauw’s bibliotheek als volgt: ‘Het leven van Adriaan Pauw is zeer bewogen en onrustig werkzaam geweest.’ Zijne boekerij moge hij met belangstelling hebben zien aangroeien, hij heeft niet de rustige dagen van Cats gekend en evenmin het huiselijk leven van Constantijn Huijgens. Terwijl deze hunne letter- en kunstschatten hebben verwerkt, zoals uit hunne geschriften blijkt, is de Heer van Heemstede sedert zijn zesentwintigste jaar tot zijn 67ste voortdurend in een woelige bedrijvigheid gehouden. Met zijn erkende bekwaamheden als man van staatsaangelegenheden, heeft hij den grooten omvang van wetenschap blijkbaar niet verworven, die zooveel zoo uitmuntende hulpmiddelen hem hadden kunnen geven.’ Dr.A.de Fouw (zie literatuuropgave) bestrijdt bovenstaande conclusie fel met de volgende argumenten:

1) In 1628 werd Pauw een ere-doctoraat opgedragen aan de Universiteit van Cambridge;

2) Pauw schreef vooral in de jaren der Westfaalse vredesonderhandelingen pamfletten die ‘hem doen kennen als een scherpzinnig, slagvaardig, strijdbaar en geleerd mens’.

3) In zijn kwaliteit van curator heeft Pauw veel gedaan voor de uitbreiding der universiteitsbibliotheek te Leiden.

Ingekleurde prent van A.Woudanus van de Academiebibliotheek in Leiden met aan de wand het prospect van Constantinopel door Lorich

Ingekleurde prent van Willem van Swanenburg naar tekenigen van Woudanus  van de Academiebibliotheek in Leiden in het begin van de 17de eeuw met links aan de wand het prospect van Constantinopel door Lorisch, een 45 centimeter hoge en 11 meter lange tekening, in 1598 aan de bibliotheek geschonken.

panorama.jpg

Klein deel van het panorama op Constantinopel in de Leidse UB, vervaardigd door de Deense kunstenaar en ambachtsman Melchior Lorichs die enige tijd in het Ottomaanse tijk verbleef. Een vergelijkbaar prospect bezat Adriaan Pauw en is bij de sloop van het kasteel in 1810 verloren geraakt.

 

Om met het laatste punt te beginnen. Noch in de ‘Bronnen tot de geschiedenis van de Leidse universiteit’, noch in de publicatie van mw. Dr.E.Hulshoff Pol die de begintijd van de Academiebibliotheek uitvoerig bestudeerde is sprake van enige opvallende activiteit van Pauw voor de jonge UB (opgericht in 1575). Voorlopig lijkt het te gaan om een van die moeilijk te verifiëren berichten van Wagenaar. Ook het eredoctoraat in Cambridge, tevens toegekend aan medegezant Van Randwijk, kan moeilijk als argument worden aangevoerd, omdat in dit geval niet ‘de geleerdheid’ maar het succes van een buitengewoon gezantschap door de Engelse universiteit gewaardeerd werd. Zelfs van sommige pamfletten, vaak anoniem verschenen, staat niet helemaal vast in hoeverre deze door Pauw zelf, dan wel door een van zijn secretarissen, zoals Caspar van Kinschot, geschreven zijn. Wèl mag uit de pamfletten worden geconcludeerd dat deze geschreven zijn door een belezen man met kennis van rechten, geschiedenis en in het bijzonder der klassieken. Mijn conclusie is dat Adriaan Pauw voor alles verzamelaar was, wat overduidelijk blijkt uit bijvoorbeeld de ‘Apologia voor de Heer Adriaen Paeuw’ uit 1652 waarin de vraag gesteld wordt wat er op tegen is dat hij voor een spotprijs probeerde de boekerij van koning Karel 1 over te nemen.

Ruim 300 bijbels

De catalogus van Pauws boeken is opgebouwd volgens het model van de humanistische bibliotheek, waarin alle vakken vertegenwoordigd zijn. Het betreft goede en nuttige boeken op ieder gebied, kortom een bibliotheek zoals Gabriel Naudé die propageerde.

Eerste pagina van de rubriek 'Libri Theologici' in de Pauw-catalogus van 1654

Eerste pagina van de rubriek ‘Libri Theologici’ in de Pauw-catalogus van 1654

Uit de catalogus van Pauw’s bibliotheek, waarop nader zal worden ingegaan blijkt dat het aantal theologische titels niet minder dan 5.589 titels bedroeg. Mede vanwege de talrijke Reformatorica wordt deze collectie door professor H. de la Fontaine Verwey, kenner van het oude boek bij uitstek, uitermate belangrijk geacht. Van de bijbeluitgaven kunnen worden vermeld de polyglotta, zoals de beroemde Biblio Regia, in zeven talen en 10 folianten uitgegeven in Parijs (1645) en de Plantijn uitgave in 8 delen uit 1569.

polyglot

De katholieke Polyglotte bijbel ofwel Biblia Regia (Koningsbijbel), tussen 1568 en 1572 gedrukt door Christoffel Plantijn in Antwerpen, in de talen Grieks, Latijns, Armeens, Syrisch en Hebreeuws. (UB-Leiden)

 

Naast een aantal Hebreeuwse edities, niet minder dan 130 Latijnse uitgaven, 74 Franse en diverse andere talen zoals 2 Ierse en 1 Finse. Van de Nederlandse vertalingen, uiteraard verscheidene edities der Statenbijbel. 15de eeuwse drukken ontbreken, met uitzondering van 3 exemplaren gedrukt in Delft. Verder de Liesvelt-bijbel en de doopsgezinde vertaling van Biestkens, verschenen in Haarlem. Ook onder de manuscripten bevinden zich vijf handgeschreven bijbels, inclusief drie in onze volkstaal. Vervolgens een belangwekkende hoeveelheid Nieuwe Testamenten, waarbij 15 Duitse, meest van Luther en daronder een van 1541. Slechts drie in het Nederlands en 109 in andere talen, o.a. vijftien verschillende Latijnse omzettingen van Erasmus. Het boek der Psalmen is vertegenwoordigd met 61 nummers, onder meer polyglotta van Luther en bekende berijmingen van Revius, Camphuysen en Marnix van Sint Aldegonde. Van Erasmus komen in de catalogus in totaal 82 geschriften voor.

Veel historie – weinig letterkunde

Dat juist Pauw als staatsman en diplomaat 1386 juridische en 3086 geschiedkundige/politieke werken bezat is minder verwonderlijk. Van de rechtsgeleerde boeken, o.a. 19 uitgaven van het Corpus Juris Civilis en 10 van het Corpus Juris Canonici; ook Britse en Franse wetsuitgaven. Alle bekende geschiedkundigen uit de 16de en 17de eeuw zijn met publicaties vertegenwoordigd: Bor, Gouthoeven, Winsemius, Boxhorn, van Meteren, Seb. Franck, Hooft (Nederlandsche Historien), Scriverius, Van Mander (Schilder-Boeck), Reyersbergen, Velius e.v.a. Verder boeken van de zeevaartkundige Jan Huygen van Linschoten (1563-1611) en ‘Voyagien’ naar Oost- en West-Indië. J.G.Frederiks suggereert dat de historische en staatkundige sectie een tamelijk volledige bibliotheek vormt, zoals men die toen enkel kon verkrijgen. Op de terreinen van medicijnen, botanie etc. zijn 1555 publicaties en op wijsgerig gebied 705 boeken opgenomen. Interesse voor botanica is niet vreemd wanneer men in ogenschouw neemt dat Pauw veel werk maakte van de tuinen op het binnenplein en rond het kasteel. Kosmografie/geografie/topologie en mathematica enz. zijn elk met respectievelijk 267 en 400 werken aanwezig. Miscellanea 535 en voorts 146 nummers genealogie, oudheidkunde e.d. Pauw was geen minnaar van literatuur, toneel en poëzie (evenmin muziek). Het zijn vooral uitgaven van Griekse en Latijnse klassieken die in groten getale aanwezig zijn. Pauw’s bibliotheek zou een ware goudmijn geweest zijn voor beoefenaren van de klassieke filologie. Zelfs zijn tijdgenoten en in het persoonlijke vlak goede bekenden als Cats, Hooft en Huygens zijn minimaal vertegenwoordigd. Van Camphuysen diens ‘Stichtelijke Rijmen’, waarschijnlijk het meest gebruikte liedboek in de 17de eeuw en na Jacob Cats met in 1650 circa 300.000 verkocht boeken de meest populaire dichter. Van de Haarlemse secretaris en schrijver Coornhert vinden we een tiental werken in Pauw’s bibliotheek. Van Joost van den Vondel maar één boek: ‘Heylige maegden’(Amsterdam, 1644). Dus niet bijvoorbeeld het treurspel ‘Palamedes’, waarin de vader van Adriaan onder de naam ‘Megeer’ als een booswicht wordt voorgesteld, die de dood van Johan van Oldenbarnevelt mede op zijn geweten heeft. (Ook het bekende hekeldicht van Reintje de Vos vol hatelijkheden is op Reinier Pauw van toepassing (17). De Fouw geeft als verklaring dat het karakter van Pauw te hoekig en ongemakkelijk was om zulke smaadschriften rustig in zijn boekenkast te laten staan. Van de manuscripten zijn vooral van belang een 70tal Oosterse handschriften met miniaturen, die vrij degelijk geschreven zijn: vermoedelijk verworven via zijn broer Cornelis Pauw: Syrisch, Arabisch, Ottomaans, verder nog Chinees, Japans, Russisch enz. Als curiosa kunnen worden genoemd: het boek ‘Utopia’ van Thomas More (Antwerpen, 1652) op groen papier gedrukt; voorts een tweetal paspoorten uit 1595 in het Arabisch met een Italiaanse vertaling, uitgegeven en getekend door prins Maurits ‘aen de vier eerste coopluyden die de O.I. hebben beginnen te handelen’ (18). De catalogus bevat ook de van Rottendorffius afkomstige zeldzame Plautus-codex, welke eerder professor J.F.Gronovius had bekeken en die Pauw in Munster had ontvangen: ‘Plautus in perg. et Terentius cum notis Aelii Donati in perg., uno volumine’.

Curieus intermezzo: de boekerij van koning Karel 1

In 1649 werden Adriaan Pauw en Joachimi (al ambassadeur in Londen) door de Staten-Generaal als buitengewoon gezant naar Engeland gestuurd teneinde een aldaar voorgenomen onthoofding van koning Karel 1 te voorkomen. Karel 1 was gehuwd met Henriëtte Maria die in 1642 met haar toen 16-jarige schoonzoon prins Willem (11) van Willem van Oranje en de tien jaar dochter Maria Stuart een beleefdheidsbezoek had gebracht aan Pauw in Heemstede op weg naar Amsterdam. De eis van Pauw was tevergeefs omdat de Engelsen kanselier Cromwell en legerleider Thomas Fairfax meenden dat Holland zich beter met zijn eigen zaken konden bemoeien. Op een cartoon uit die tijd is de Heer van Heemstede, Adriaan Pauw, als een vogel voorgesteld.

Spotprent op Engeland: 'De gehoonde Vryhey'. Zinneprent op Cromwell en zijn daden. De Hollandse Leeuw ligt in een houten kist, in slaap gesust door een (Spaanse) Renaard. De Hollandse ambassadeurs zijn Kacob Cats, Paulus van de Perre, Adriaan Pauw en Gerard Schaap, als dieren: kat, hond, apuw en schaap, afgebeeld, daar "sekere Duytser seyde doen ter tijt: Hebben de Staten geen ander stof als datse sucke Dieren na Engeland senden (die noerende daer mede, dat alle haer Toe-namen Beesten waren' (Rijksmuseum Amsterdam)

Spotprent uit Engeland: ‘De gehoonde Vryheyt’. Zinneprent op Cromwell en zijn daden. De Hollandse Leeuw ligt in een houten kist, in slaap gesust door een (Spaanse) Reinaard. De Hollandse ambassadeurs zijn Jacob Cats, Paulus van de Perre, Adriaan Pauw en Gerard Schaap, als dieren: kat, hond, pauw en schaap, afgebeeld, daar “sekere Duytser seyde doen ter tijt: Hebben de Staten geen ander stof als datse sucke Dieren na Engeland senden (die noterende daer mede, dat alle haer Toe-namen Beesten waren” (Rijksmuseum Amsterdam)

spotprent

Nog een Engelse spotprent op de Hollanders uit 1652. In de tekst bij de prent staat dat de persoon links moet voorstellen (raadpensionaris Adriaen Pauw (Rijksmuseum)

Drie jaar later ging Pauw, toen raadpensionaris, voorde laatste maal naar Engeland, ditmaal naar aanleiding van een vlag-incident bij Dover tussen de admiraals Blake en Tromp, dat leidde tot de Eerste Engelse oorlog. Volgens een verhaal dat de ronde deed zou Cromwell de bibliotheek van de koning aan pauw hebben willen schenken toen deze als ambassadeur nar Loonden kwam. Pauw weigerde dit omdat hij in zijn functie geen giften mocht aannemen, maar bood echter aan de boekerij, waarvan de waarde op ƒ 16.000,- werd geschat voor ƒ 6.000,- te kopen, waartegen de Staten bezwaar maakten.

Door kwaadwillende lieden werden in Holland valse geruchten in omloop gebracht om het volk tegen Pauw op te hitsen en zelfs zijn goederen in Den Haag en Heemstede werden bedreigd. Johannes van Vloten (zie literatuuropgave) schrijft: ‘Als boekverzamelaar en liefhebber van kunst en oudheden beweerde men, dat hij van Cromwell voor een spotprijs de boekerij van de onthoofde koning had overgenomen, op voorwaarde van in zijn geest te werken; en men gaf hem na, alleen uit geldzucht naar dat buitengewoon gezantschap [van 1649] te hebben gestaan.’ Een hekeldichter uit die tijd beet hem onder e titel ‘Een adder in ’t gras’ – Latet anguis in herba – o.a. het volgende toe:

‘(Doch) ’t zij zoo ’t wil, de Staat, heeft nu een vast besluit;

Hij laat zich onder schijn van vreê niet langer doeken;

Hij maakt een man van Staat zoo stip niet onderzoeken,

’t Denkt om tapisserie noch koninklijke boeken’. (…)’

Op 9 augustus 1652 stond Pauw voor de Staten van Holland om zich te beklagen ‘aengaande allerhande quaade officien, die tot sijn nadeel gepleegt waren.’ Hij had zijn reis naar Engeland hartje winter en die niet zonder gevaar was met getrouwheid verricht. Tegelijkertijd verscheen bij Pieter Ianszoon, boekverkoper in de Haarlemse Houtstraat, een pamflet, getiteld ‘Apologia voor de Heer Adriaen Pauew, Heere van Heemstede’. De auteurs noemt zich een Uytlander en ontkracht opeenvolgend alle belasteringen ‘den Heer Adriaen Pauw Heer van Heemstede etc na ghekreten.’Daarbij het verwijt van sommigen dat hij in Engeland de librije van koning Karel 1 heeft gekocht, althans een groot gedeelte daarvan, tegelijk met een aantal tapijten. Wat is daarin te misprijzen aldus de pamflettist: ‘hij die bezich is de allergrootste, allercurieuste een vermaertste liberye te maken van heel Duitslant en Nederlant: wat meent ghy al had hij sulx al ghedaen als nu neen dat d’engelsche hem voor een lap en een leur soude verkocht hebben? Waer vint men doch speck in een honts nest? En genomen hy hadde dat ook gedaen als nu neen, wat was daer aan verbeurt? Koopt elck niet so goeden koop als hy kan? So is dan dit een pure Calumnye en wel geeramineert van geen consideratie.’ De Staten van Holland en West-Friesland kwamen eenstemmig tot de conclusie dat Pauw als een getrouw minister van staat en goed patriot had gedragen en verboden in een declaratie van 24 augustus 1652 eenieder, op straffe van verbeurdverklaring van lijf en goederen, iets te ondernemen tegen de familieleden van Pauw of Pauw’s goederen in Heemstede en Den Haag. 16 augustus had Johan de Witt, die Pauw als raadpensionaris waarnam en hem na zijn overlijden zou opvolgen, aan de burgemeesters van Haarlem laten weten: ‘hare Poorten alle goede order stellen en voorzieningen doen, ten inde de malicieuze dessins en folen tegen de Huize en de goederen van Heemstede gereikt mogen voorgekomen en gehinderd worden.’

Duidelijk is dat Pauw met de mogelijke aankoop van een deel van de bibliotheek van Karel 1 slechts het bezit van de Bibliotheca Heemstediana op een goedkope wijze wilde vermeerderen en daarbij geen onvaderlands oogmerk had. Van Vloten meent op grond van een bericht in ‘Onze Tolk’ dat na alle aantijgingen Pauw met minder raadzaam achtte de boekenschat richting Heemstede te transporteren. Hij zou deze via zijn vriend, de bekende choniqueur Lieuwe (Leo) van Aitzema, welke in die tijd als agent van de Hanzesteden in Londen verbleef, aan de stad Bremen hebben weten over te doen. Deze laatste bewering blijkt uit nader onderzoek niet te kloppen, zoals mij in een schrijven van de Universiteitsbibliotheek van Bremen is bericht. Uit de Britse literatuur 919) wordt duidelijk dat in tegenstelling tot de portretgalerie verkoop van de bibliotheek van koning Karel 1 in Londen kon worden voorkomen. ‘But the Royal Library luckily escaped the dispersal by sale whch fell Charles 1 pictures’(p.179). (19). Het pronkstuk uit de Koninklijke verzameling was een in 1627 door patriarch Cyrillus Lucaris aan Karel 1 (door bemiddeling van sir Thomas Roe, ambassadeur in Constantinopel) geschonken vijfde eeuwse uit Egypte afkomstige bijbel, thans wereldvermaard als de Codex Alexandrinus.

N.B. Uit het ‘Engelse journaal ‘van  Lodewijk Huygens

Mevrouw dr. A.Frank-van Westrienen, schrijfster van het boek ‘De Groote Tour'(Amsterdam, 1983) wees mij op het dagboek van Constantijn Huygens, de derde zoon van Constantijn Huygens, die als dienaar in het gevolg van de delegatie onder leiding van Adriaen Pauw december 1651 naar Engeland meereisde. Die noteerde in zijn dagboek: ‘Saterdagh. Den 20en [1652] gingh ick Mr.Brereton besoecken en ging met hem wandelen. Wederkomende vond Spieringh bij de HH Ambb Houwaert, de stalmeester van de P.Royale, quam weinigh daerna oock haer begroeten, seijde Maladij Stanhop wederom los gekregen te hebben, nadat hij daer veel moeijte om gedaen had bij sijn goede vrunden. Namiddagh reed ick met de Hr. van Vliet, Mr.Brereton en Schaep na Whithall, alwaer op de plaets wandelende, terwijl de Hr.van Vliet, Sr. Oliver Flemming ging spreecken, quam Mr.Pieter bij ons en bracht ons in sijn logement dat 3 of 4 goede kamers sijn en wel geneubileert aan de voorsijde van het huijs. Hij toonde ons indiaansche pijlen, met een koker daer toe, sijnde een wolfs-huijt; en een degen van de Generael Cromwell, die hij in Schotland altijt gedragen en daerna aan hem gegeven had, en wel 5000 gld. weert te wesen. Hij liet oock eenighe oude boecken sien, daer al de wapens van den adel van gansch Engeland in stonden; hij seijde de 3 of 4 seer rare boecken uijt de Bibliotheecq van de Coningh aen de Heer van Heemstede gegeven te hebben. Na dat wij omtrent een half uer hier geweest hadden en heen meenden te gaen, gaf hij ons confituren en wijn, en had ons dickmaels hem te komen besoecken: moest noch dien avont voor eenighe Heeren van ’t Parlement in ’t particulier preecken (…)’.  

Pauw en Leeghwater

leeghwater1

In 1641 verscheen van molenmaker en waterbouwkundige J.A.Leeghwater (1575-1650) de eerste druk van zijn ‘Het Haarlemmer-meer-boek’. Nog in 1838 verscheen hiervan een dertiende druk met aantekeningen van mr.W.J.C.van Hasselt. Uiteindelijk is tussen 1848/1849 en 1 juli 1853 het Meer drooggemalen door 3 stoommachines, omgeven door een ringdijk van 59,5 kilometer

leeghwater2

Deel van de kaart van Leeghwater uit het Haarlemmermeerboek. Vooral Pauw met zijn heerlijkheden, Rietwijk, Rietwijkeroord, Nieuwerkerk, Zuid-Schalwijk, Heemstede en Bennebroek had groot belang bij drooglegging omdat bij hevige stormen grote delen van het land waren afgeslagen en weggespoeld, wat feitelijk het einde betekende van de drie eerstgenoemde ambachten, maar de risico’s werden met zoveel te bouwen molens te groot geacht om tot uitvoering over te gaan.

 

Aan prins Frederik Hendrik en Adriaan Pauw werden in 1641 door Leeghwater de eerste exemplaren aangeboden van diens bekende ‘Haerlemmer-Meer-Boeck’, dat talrijke herdrukken zou beleven en is opgedragen aan de Staten van Holland en prins van Oranje. Al in brieven van 12 juni en 8 september 1631 had ingenieur Leeghwater aan zijn beschermheer Rekenmeester en Ambachtsheer Pauw voorstellen gedaan tot bedijking en drooglegging van het Haarlemmermeer (20). Hij raamde de kosten hiervan aanvankelijk op 28 tonnen gouds (2.800.000 gulden), hooguit op 3 miljoen gulden, naderhand verhoogde hij het geschatte bedrag tot 3.600.000 gulden en sprak Leeghwater de verwachting uit dat de uiteindelijke opbrengsten profijtelijker zouden zijn dan de vaart op West- en Oost-Indië. Pauw die met zijn heerlijkheden rond het Meer veel te duchten had vanwege grondafslag bij stormen, achtte deze onderneming echter te riskant, evenals trouwens de Staten van Holland en West-Friesland.

Schrijven van Leeghater aan Adriaan Pauw. De aanhef 'Bon Amy' wijst op de goede verstandhouding tussen beiden (Heerlijkheidsarchief Heemstede)

Schrijven de dato 8 september 1631 van Rekenmeester en Ambactsheer van Heemstede Leeghater aan Adriaan Pauw. De aanhef ‘Mon Bon Amy’ wijst op de goede verstandhouding tussen beiden (Heerlijkheidsarchief Heemstede)

Verblijf in Munster

Er zijn intussen verscheidene aanwijzingen gevonden dat voor zover de tijd dat toeliet Adriaan Pauw zich in Munster ook met boeken bezighield. Dr. Helmut Lahrkamp, directeur van het stadsarchief in Munster, ontdekte enige gegevens dat Pauw in contact stond met o.a. domdeken Bernhard von Mallinckrodt (die zich in later tijd vooral heeft doen kennen als tegenstander van de in 1650 gekozen bisschop Christoph Bernhard von Galen), een strijdbaar aanhanger van Gutenberg als uitvinder en beschikkend over een welvoorziene bibliotheek met veel incunabelen èn een grote wijnkelder.

Geschilderd portret van domdeken en bibliofiel Mallinckrodt (Stadsmuseum Munster)

Geschilderd portret van domdeken en bibliofiel Bernhardt von Mallinckrodt (Stadsmuseum Munster). In zijn dissertatie over ‘De Vrede van Munster’ (1948) door dr.J.J.Poelhekke  schrijft de auteur over de goede verhouding die in Westfalen bestond tussen de Vaticaanse bemiddelaar Chigi en Venetiaan Contarini met hun humanistische interesses. Citaat: ‘Van het feit dat Pauw hoegenaamd niet aan anti-papisme leed, legde hij in zijn Munstersche jaren herhaalde malen terloops getuigenis af. Zoo noteert Ogier op 6 september 1646 in zijn “Journal” dat hij te samen met Pauw, Ripperda en Clant – en terloops opgemerkt met den jeugdigen latijnschen dichter Caspar van Kinschot, “jeune homme de la Haye qui promet beaucoup de sol par ses poësies latines et par la connaissance qu’il a des belles-lettres” – heeft gedineerd bij den bekenden Munsterschen capitteldeken Mgr. Bernard Mallinckrot. Een ander maal (29 October ’46) bericht hij dat hij bij Mallinckrot een exemplaar heeft gezien van den Haarlemschen incunabel “Speculum humane salvationis’, dien Pauw “a fait venir exprès pour satisfair à sa curiosité (sc van Mallinckrot) et pour lui donner de quoi enrichir son traité “De Arte Typographica”.’

Verder met de stadsdokter, tevens botanicus en dichter dr. Bernhard Rottendorff. Van laatstgenoemde wist Pauw met overtuigingskracht vanuit Heemstede een perkamenten codex van Plautus ‘nolens volens’ te verkrijgen, van welke schenking Rottendorff zijn leven lang spijt zou hebben (21). Pauw zou over een exemplaar van het buitengewoon zeldzame boek ‘Speculum humanae salvationis’ beschikken, een werk van houtsneden met tekst dat door Hadrianus Junius, die in 1628 zijn ‘Laure-crans voor Laurens Coster’ had gepubliceerd, als een vroeg en nog onvolkomen drukwerk van Coster als toenmalig vermeend uitvinder van de boekdrukkunst, werd beschouwd. De la Fontaine Verwey (zie lit.opgave) schreef: ‘Zo kon het gebeuren dat op 28 november 1646 twee geestelijken, François Ogier en Claude Joly, kapelaans van de Franse gevolmachtigden, tijdens een diner bij Mallinckrodt van hun gastheer te zien kregen een exemplaar van het ‘Speculum humanae salvationis en de drie samengebonden blokboeken Ars morendi, Biblia pauperum en Apocalyps, voorzien van de portretten van Coster en (gefingeerde) titels met jaartallen – alles door Pauw in goede zorgen naar Munster gezonden. De beide geestelijken hebben los van elkaar de hun getoonde schatten uitvoerig beschreven. (22). Was het aan Mallinckrodts al te vurige Rijnwijn te wijten, dat hun mededelingen aan duidelijkheid te wensen overlaten en onderling niet geheel kloppen? Hoe dit ook zij – als Pauw gehoopt mocht hebben door het beschikbaar stellen van deze boeken zijn gastheer voor Coster te winnen, had hij het mis. De domdecaan liet zich niet van de wijs brengen en bleef volharden in zijn geloof aan Gutenbergs genie tot zijn dood, die overigens jammerlijk was. De vrolijke domdecaan overleed in 1664 in de gevangenis, waar hij opgesloten was, omdat hij hardnekkig weigerde te aanvaarden dat niet hij tot bisschop van Munster benoemd was, maar zijn neef Bernhard von Galen – in onze vaderlandse geschiedenis van 1672 bekend als ‘Bommenberend’.

blokarsmoriendi

Illustratie uit het blokboek ‘Ars Moriendo’ (de kunst van het sterven)

Pauw’s erfenis

Na het plotse overlijden van Adriaan Pauw midden in de (eerste) Engelse oorlog waren de te verdelen goederen talrijk en werden aan niet minder dan negen gerenommeerde rechtsgeleerden adviezen casu quo confirmaties ingewonnen aan mr.Simon Van Leeuwen, enkele hoogleraren uit Leiden en advocaten aan het Hof van Holland. Zoals bekend verloor Heemstede bij de boedelscheiding een gedeelte van zijn grondgebied, omdat het zuidelijke deel, Bennebroek genaamd, aan de jongste zoon Adriaan werd toegewezen. Zijn oudere broer Gerard werd met Heemstede beleend en tevens is overeengekomen dat Heer Gerard 50.000 carolus guldens uit de Heemsteedse boedel zou inbrengen voor verdeling onder zijn broers en zusters, Besloten werd de bibliotheek te catalogiseren [indien al niet in Heemstede samengesteld?] en te bezien deze zo mogelijk in één koop te verkopen. Al binnen drie maanden na zijn dood is de Bibliotheca Heemstediana ontmanteld en naar Den Haag overgebracht. Een vracht van ruim 500 strekkende meter. Waar eerst de bibliotheek gehuisvest was werd plaats gemaakt voor het heerlijkheidsarchief dat achterbleef. Uit het reglement van 19 mei 1653, door de nieuwe Heer Gerard Pauw opgesteld, blijkt de alinea de boven Camers daer de boeken zijn’ vervangen door de woorden ‘de Comptoires daer de pampieren leggen’. Daarmee was een abrupt einde gekomen aan de Heemsteedse bibliotheek, die in zijn tijd alle openbare alsook particuliere bibliotheken in ons land had overtroffen (23). Uit het voorgaande blijkt dat Adriaan Pauw, die vele jaren curator was van de Leidse Academie, in tegenstelling tot in hetzelfde jaar overleden verzamelaar Johan Thysius, zijn boeken niet aan de landsacademie heeft vermaakt.


boek2

Vooromslag boek van Esther Mourits over de bibliotheek van Johannes Thysius

 

In 2017 verscheen het boekwerk van Esther Mourits: ‘Een kamer gevuld met de mooiste boeken; de bibliotheek van Johannes Thijsius (1622-1653)’, welke bibliotheek aan de Leidse universiteit werd nagelaten en inclusief het in 1655 door Arent van ’s Gravesande ontworpen gebouw tot in onze tijd nog bestaat.

thysiana

Het gebouw van de ‘Bibliotheca Thysianum’ aan het Rapenburg in Leiden, tegenwoordig rijksmonument

 

Een citaat uit voornoemd boek: ‘(…) In de zeventiende eeuw vertegenwoordigen boeken allereerst kennis. Het tijdperk waarin nieuwe wetenschappelijke inzichten de oude definitief zouden vervangen was nog niet aangebroken, en daarom werd alle kennis beschouwd als bruikbaar en de moeite van het verzamelen waard. Ook het verlangen naar het bijeenbrengen van zoveel mogelijk kennis is een vorm van boekengekte, waarvan in de zeventiende eeuw voldoende voorbeelden te vinden zijn. Twee tijdgenoten van Thysius sdie daar voor in aanmerking komen zijn Adriaan Pauw en Nicolaas Heinsius [1620-1681 met ongeveer 13.000 titels]. Adriaan Pauw was staatsman en diplomaat . Hij begon zijn politieke carrière in Amsterdam, waar hij bovendien en enorm fortuin had gemaakt als koopman. In 1627 kreeg hij een positie in het landsbestuur en vier jaar later werd hij voor het eerst benoemd als raadpensionaris. Pauw was een kundig onderhandelaar en bestuurder, maar hij was bijzonder ijdel, met een groot zwak voor kostbaarheden en uiterlijk verton, eigenschappen die tegen hem zouden worden gebruikt als bewijs van zijn onbetrouwbaarheid. In 1620 kocht hij de heerlijkheid Heemstede met bijbehorende titels, en liet het huis ombouwen tot een fraaie buitenplaats. Pauw heeft er behalve een verzameling kunstvoorwerpen, rariteiten en wapens ook zijn bibliotheek ondergebracht, die aan het einde van zijn leven ongeveer 16.000 boeken telde. Uit de catalogus die na zijn dood werd gemaakt, blijkt dat alle wetenschapsgebieden in de bibliotheek door een grote variëteit aan publicaties zijn vertegenwoordigd. Maar over zijn motieven om boeken te verzamelen is niets met zekerheid te zeggen. De pamflettist die de poging van Pauw verdedigde om de bibliotheek van de voormalige koning Karel 1 aan te kopen, schreef dat hij bezig was ‘de allergrootste, alle curieuste en vermagerde librije te maken van heel Duitsland en Nederland’. (…) Net als bij Thyssen ontbreekt bij Pauw een direct verband tussen zijn werkzaamheden en de bibliotheek als geheel. Voor Pauw lijkt het verzamelen van boeken een doel op zich te zijn geweest, niet belangrijker of waardevoller dan het verzamelen van rariteiten. Daardoor verloor de bibliotheek met de dood van de eigenaar haar reden van bestaan.’

pauwthysiusbibliotheek

Interieur zaalbibliotheek Johannes Thysius in Leiden

———————————-

Veilingcatalogi van de nagelaten boekerij van Adriaan Pauw

Titelblad van de catalogus A.Pauw van 1654 (UB-Amsterdam)

Titelblad van de catalogus A.Pauw van 1654 (UB-Leiden)

Op kosten van de erfgenamen werd in 1654 een veilingcatalogus gedrukt, op kwartoformaat en met in totaal 351 bladzijden, waarin alle bijna 16.000 boeken in 11 hoofdrubrieken zijn ondergebracht. Niet onwaarschijnlijk is dat al bij Pauw’s overlijden de catalogus reeds geheel of gedeeltelijk, althans in handschrift, gereed was. ‘De erven zouden zich dan bepaald hebben tot het uitgeven en verspreiden van het boek dat blijkbaar niet in de handel was’.(De la Fontaine Verwey). De catalogus bevat namelijk geen drukker, maar met het wapen van Den Haag en de vermelding dat het boek uitgegeven was op kosten van de erven. De publicaties zijn ongenummerd opgenomen volgens de inhoud, niet naar formaten. Ook al zijn hier en daar fouten gemaakt in de juiste schikking, terecht constateert professor Koeman (23) dat het een gelukkige omstandigheid is dat de beschrijvingen veel beter zijn dan gewoonte in die tijd. Mogelijk toch vervaardigd door Henricus Bruno, die op verzoek van Pauw eerder de Latijnse opschriften had vervaardigd, al vermeldt Hendrik de Swaef in een briefje dat Johannes Amelingh uit de hofstad hem bij de samenstelling had geassisteerd. De volledige titel van de auctiecatalogus luidt als volgt:

Catalogus omnium librorum e manuscriptorum Bibliothecae Dom: Adriani Pauw, Equitis, Domini de Heemstede, Hoogersmilde, Rietwijck, Nieuwerkerck etc. Consilarij Pensionarij, sive Primari Status (dum viveret) Hollandiae West-Friseaeq; Ministri Hagae Comitis, Sumptibus Haeredum, 1654.

Het is denkbaar, zoals ook professor Herman de la Fontaine Verwey veronderstelt dat is getracht de boekerij die in 1653 groter was dan enige andere bibliotheek in ons land (24) in één koop aan een belangstellende over te doen. Toen dat niet lukte werd besloten de (resterende) boeken afzonderlijk bij opbod te veilen. Nadat een deel is gekocht door Hertog August voor zijn bibliotheek in Wolfenbüttel [waarover hieronder meer uitvoerige informatie] . Die veiling gebeurde bij Henricus de Swaef in Officina Libraria sub Atlantis Signo, ‘op de groote Zael van te Hoff’ in Den Haag. De theologische en juridische boeken (+ miscellanea en manuscripten) op maandag 4 september 1656 en volgende dagen en het restant op maandag 26 februari & seqq. 1657.

Titels: 1) Catalogus omnium librorum theologicorum, juridicorum nec non aliquot miscellaneorum et manuscriptorum. Hendrik de Swaeff, Groote Zaal, 1656, 148 = 74 folia, 148p. ; 2) Catalogus omnium librorum medicorum, philosophicorum, litteatorum, mathematicorum & geographicorum. De Swaeff, Groote Zaal,1657. 88 = 44 folio [ii] 86 p.

Wat van beide verzamelingen uit 1654 nog resteerde is aldus opnieuw door Hendrik de Swaef een nieuwe (uitgedunde) catalogus uitgegeven. Onduidelijk is of de eerdere titelbeschrijvingen al door Hendrik de Swaef zijn vervaardigd. Zowel de eerste catalogus van 1654, uitgegeven op kosten van de erfgenamen – van de 7 kinderen waren er toen 4 in leven – als de 2 delen van 1656 en 1657 zijn in kwarto-formaat verschenen. Van de boekverkoper en auctionair is onder meer het volgende bekend (25). Hij werd vermoedelijk in Middelburg geboren als zoon van Samuel de Swaeff, schoonschrijver, plaatsnijder en drukker bij zijn hoofdberoep van schoolmeester. Pas sinds 1648 staat hij in Den Haag geregistreerd als zijnde werkzaam in het Haagse filiaal van de Elseviers en in 1651/’52 werd hij lid van het Sint Lucasgilde der boekverkopers. De Swaef was gevestigd op de Groote Zaal in winkel XIV/XVI en gaf ook enkele boeken uit. Van 1655 tot 1661 zijn 16 boekveilingen van hem bekend. In het laatstgenoemd jaar geraakte hij in een depressie en kwam zelfs enige tijd in het dolhuis terecht. Later herstelde hij zich en werd in 1669 geadmitteerd als notaris en vestigde zich twee jaar later in zijn geboorteplaats Middelburg. De uitgebreide bibliotheek van Adriaan pauw, die een internationaal karakter droeg, was wellicht zijn belangrijkste veiling, waarvan de opbrengst tot op heden niet kon worden achterhaald. Deze is zeker minder geweest dan de ƒ 180.000,- waarvan de erfgenamen in eerste instantie uit gingen, later teruggebracht naar ƒ 100.000,-. De boeken hadden geen exlibris, zodat het lot is moeilijk te achterhalen. Een deel kon worden achterhaald mede dankzij bewaard gebleven correspondentie in de bibliotheek van Wolfenbüttel.

Boeken van Pauw in Wolfenbüttel (M.Keblusek)

Boeken van Pauw in Wolfenbüttel (M.Keblusek)

Waar bevinden zich de catalogi?

Wèl is na te gaan in welke instellingen de veilingcatalogi nog aanwezig zijn. Volgens een opgave in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam en van uitgeverij Brill bevinden zich exemplaren van de eerste catalogus uit 1654 in de navolgende bibliotheken. Nederland: UB van de Vrije Universiteit Amsterdam, UB-Leiden, KB-Den Haag, UB-Amsterdam (bibliotheek van de ‘Uitgevers-Vereeniging’). Verder in de volgende buitenlandse instellingen: Koninklijke Bibliotheek Brussel (België), Bodleian Library Oxford, Cambridge U.L., British Library in London (3 exemplaren), Edinburgh: Advocates Library, National Library of Scotland in Edinburgh; Dublin ML, Ierland (Provenance bishop Edward Stillingfleet), Wolfenbüttel: Herzog August Bibliothek; Göttingen: UB; Hamburg: Weimar: HANN; SUB; Hannover NSLB; Jena: TULB (echter vermist sinds 1967); Dresden: SLUB; Landesbibliothek Oldenburg; Genève: Bibliothèque Publique; Parijs: Bibliothèque Nationale; Parijs: Bibliothèque Municipale; Bibliothèque Municipale Lyon; Nationale Bibliotheek van Tsjechië, Praag; Rome: BA ZZ; Venetië: Biblioteca Marciana; Kopenhagen (Denemarken: Koninklijke Bibliotheek; Moskou: Nationale; Wenen: Oesterreichische National Bibliothek; Universiteitsbibliotheek Kopenhagen; New York State Library; Newberry library Chicago; Harvard library, Cambridge MA.

Verder is in onder meer de volgende veilingcatalogi de catalogus (1654) van Pauw opgenomen: J.Oizelius (1687), J.Breviere (1696), Bentes (1702). Huidekoper van Maarseveen (1704), Dresden (1775) en Van Voorst (1860). Verdere vermeldingen in: Taylor 1986, p.XXXIV en 254-255; Ceccarelli, nr.26; Sallander 1955, nr.18865; Van Selm 1991, p. 62.

Tot de uitverkoop in 1810 was ook een exemplaar aanwezig op het Huis te Heemstede (zie inventarislijst Dolleman). Het exemplaar in bezit van de familievereniging Pauw van Wieldrecht ging verloren bij de brand op 5 oktober 1906 in ‘Broekhuizen’ te Leersum. In de publicatie van Archer Taylor: ‘Book cataloques: their varietes and uses’ (Chicago, 1657) wordt ook de bibliotheekcatalogus (1654) van Adriaan Pauw genoemd, helaas zonder nadere gegevens.

Morhof vermeldt de tweede catalogus uit 1656, die deze gevonden heeft in de Mulen catalogus (26).

De catalogi 1656/1657 (27) worden verder genoemd in het overzicht van Michael Honeywood betreffende in ons land aangekochte boeken (midden 17de eeuw). Professor De Vreese maakt melding van de catalogus in twee delen in zijn ‘Bibliotheca Neerlandica Manuscripta’ – in de chronologische lijst van veilingcatalogi.

Opmerkelijk is dat van deze (tweede) catalogus in twee delen géén exemplaar in een Nederlandse openbare bibliotheekinstelling is terecht gekomen. Wereldwijd zijn slechts enkele exemplaren bekend in 1) de Gemeentebibliotheek van Amiens (cf. inventaris 1873, p.201 in 1045i), 2) de Koninklijke Bibliotheek van Denemarken in Kopenhagen (signatuur: 79-II-85-40), 3) de Wren library of Lincoln Cathedral (Engeland), 4) Nationale Bibliotheek St. Petersburg. [in de K.B. is van dit exemplaar de inhoud op microfiche aanwezig]; 5) Herzog August Bibliothek Wolfenbüttel;  6) Universitätsbibliothek Tübingen {UB Ke XXIV 8.4] [Gescand exemplaar van del 1 in British Library Londen en van deel 2 in Koninklijke Bibliotheek Kopenhagen]

De la Fontaine Verwey (zie lit.opgave) schrijft: ‘Het is bekend dat de catalogus van 1654 om zijn uitgebreidheid en veelzijdigheid als bibliografisch hulpmiddel gebruikt werd bij het academisch onderwijs aan de Leidse universiteit, zoals dit later zou geschieden met de overigens minder omvangrijke auctiecatalogus van Nicolaas Heinsius (1682). Hoe hoog de catalogus van Pauw’s bibliotheek in de geleerde wereld aangeschreven stond, moge de volgende anekdote bewijzen. Op zijn reis langs de Duitse bibliotheken bezocht de Frankfurter burgemeester Zacharias von Uffenbach in 1710 Bremen. Daar vernam hij tot zijn ontzetting dat 29 kostbare codices uit de verzameling van Melchior Goldast die de stad in 1635 na zijn overlijden aangekocht had niet meer in de stedelijke bibliotheek aanwezig waren. Na een bezoek van Nicolaas Heinsius in 1650 had koningin Christina van Zweden de wens te kennen gegeven deze manuscripten te bezitten. Daar afschrijven te duur was, wist het stadsbestuur niet beter te doen dan deze cimelia aan de koningin te schenken. Deze feiten vernam Uffenbach van zijn gastheer in Bremen, de geleerde syndicus Gerhard von Maastricht, die eerder hoogleraar in Duisburg geweest was. Terwijl beide geleerden zich zaten op te winden over dit schandaal haalde Uffenbach de catalogus van Pauw uit de kast en verklaarde dat dit een van de beste catalogi was die hij kende. ‘Dat is zo’, antwoordde de syndicus ‘maar het zijn dan ook de boeken van een koning, van Koning Karel 1 (28). Daarin vergiste hij zich: het waren geen koninklijke boeken die in de catalogus beschreven stonden, maar die van een Hollandse staatsman, als hij tijd van leven gehad had, zijn landgenoten misschien een waardig pendant van de ‘Bibliothèque Mazarine’ zou hebben geschonken’.

Exlibris bibliotheek van Z Uffenbach uit Frankfurt

Exlibris bibliotheek van Zacharias von  Uffenbach uit Frankfurt

Tot besluit: uit enkele bewaard gebleven brieven uit 1756 (29) gericht aan de executeur van de boedel kan worden afgeleid dat door J.G.R.B.de Boetzelaer Langerak voorzichtige pogingen zijn ondernomen de familie- en heerlijkheidspapieren van Adriaan Pauw in Heemstede te verwerven, waarbij indirect ook de bekende Amsterdamse uitgever Isaäc Tirion belangstelling toonde. Echter Adriaan Pauw had in tegenstelling tot zijn bibliotheek testamentair laten vastleggen dat het archief in het Huis te Heemstede aldaar voor het nageslacht bewaard diende te blijven.

Verdeling van de boeken in de catalogus uit 1654 naar rubrieken

-bijbels 345; theologische boeken 5589; juridische boeken 1385; medische, chemische, anatomische, chirurgische, botanische boeken 1555; wijsbegeerte 705; filologie, welsprekendheid, literatuur, poëzie 2.125; wiskunde, kunst, muziek en krijgskunde  510; cosmografie, geografie, topografie 267; geschiedenis en staatkunde 3086; miscellanea, waaronder genealogie, oudheidkunde, heraldiek e.d. 535 ; handschriften en enige overgeslagen titels 146 + 50 Totaal 15.903 boeken.

Teruggevonden ‘Heemstede’-boeken in Wolfenbüttel

Gravure van Hertog August in zijn bibliotheek in Wolfenbüttel

Gravure door Conrad Bune uit 1650 van Hertog August in zijn bibliotheek in Wolfenbüttel

In de jaren tachtig van de vorige eeuw ontdekte boekhistorica dr. Marika Keblusek in het archief van Herzog August Bibliothek (vm. Bibliotheca Augusta) in het Duitse Wolfenbüttel dat een klein deel van de Pauw-bibliotheek via bemiddeling van Leo van Aitzema na 1654 in de particuliere bibliotheek van de bibliofiele hertog August zu Braunschweig-Lüneburg (1579-1666) in Wolfenbüttel is terecht gekomen en daar nog aanwezig is. Voor het hele artikel gepubliceerd in de Boekenwereld verwijs ik naar de literatuuropgave. Hieronder volgen enkele citaten.

Geschilderd portret van hertog August, in zijn tijd eigenaar van de grootste particuliere bibliotheek van Duitsland, die een aantal boeken uit de bibliotheek van Pauw aankocht.

Geschilderd portret van hertog August, in zijn tijd eigenaar van de grootste particuliere bibliotheek van Duitsland, die een aantal boeken uit de bibliotheek van Pauw aankocht.

De Bibliotheca Augusta, bijeengebracht door hertog August tussen 1604 en 1666 telde bij diens dood 130.000 titels en was daarmee de grootste particuliere verzameling van zijn tijd. Nadat hertog August zich in 1634 als regerend vorst in Wolfenbüttel had gevestigd, kende zijn verzameling geen grenzen meer. Dankzij een uitgebreid en goed geolied netwerk van “boekenagenten” in geheel Europa, wist de hertog zich verzekerd van een niet aflatende stroom boeken en manuscripten. Tegen een jaarlijks salaris brachten deze agenten de hertog op de hoogte van nieuw verschenen boeken, onderhielden ze contacten met boekverkopers uit hun omgeving en probeerden ze de meestal zeer specifieke opdrachten van de hertog te vervullen. In het bijzonder waren zij gespitst op de op handen zijnde verkopingen van particuliere bibliotheken. Weliswaar was hertog August niet genegen complete verzamelingen over te nemen omdat het risico van doubletten te groot was, maar in een dergelijke bibliotheek bevonden zich toch altijd antiquarische boeken die in de Bibliotheca Augusta ontbraken. Tot één van zijn grootste projecten kan de bibliotheekcatalogus worden gerekend. In enorme folianten schreef de hertog – tot 1648 zelf, daarna zijn klerken – de aangekochte boeken bij. Van 1634 tot 1666 vervulde Leo (Lieuwe) van Aitzema de functie van boekenagent van de hertog in de Republiek. Aitzema had zijn sporen in de Duitse diplomatie toen al ruimschoots verdiend. In 1629 werd hij aangesteld als raad en resident der Hanzesteden, een ambt dat hij tot aan zijn dood in 1669 zou bekleden. In die hoedanigheid makte hij vele reizen, onder andere naar Bremen en Engeland. In 1654 stuurde Aitzema de catalogus van Adriaan Pauw naar Wolfenbüttel: “J’aij envoijé par le dernier ordre a V.A. (Votre Altesse) un Catalogue des livres du S. de Heemstede: esperant que V.A. l’aura eu Aggreable; comme chose icij estimée rare”. Aitzema had al eerder de beroemde verzameling van Pauw onder de aandacht gebracht. De agent had een veilingcatalogus naar zijn opdrachtgever gezonden met de aantekening dat de boeken bijzonder waardevol en zeldzaam waren. Om zijn woorden kracht bij te zetten, voegde hij er aan toe dat in de bibliotheek van Pauw “fort curieux en livres” dezelfde werken aanwezig waren; een reden dus om tot aanschaf over te gaan. [Het is overigens niet duidelijk om welke veiling het hier gaat. – Brieven van de hertog zijn niet bewaard gebleven, maar August moet opdracht hebben gegeven in onderhandeling te gaan].

pauwaitzema

Portret van handelsagent en historieschrijver Leo (Lieuwe) van Aitzema, overleden in 1669 op 69-jarige leeftijd, die verscheidene opdrachten van Adriaan Pauw ontving. Vervaardigd naar J.de Bane door H.Bary in 1666

Aitzema1.jpg

Schrijven van Leo van Aitzema aan hertog August over de verzending van de Parijse Polyglotbijbel in 1646 (Herzog August Bibliothek Wolfenbüttel; uit: ‘Boeken in de hofstad’, pagina 266).

 

aitzema

Leo van Aitzema was behalve diplomaat, zakenman en (boeken)makelaar ook kronikeur en historicus. Tussen 1621 en 1688 publiceerde hij in zeven delen (acht banden) zijn; ‘Saken van Staet en Oorlogh in en omtrent de Vereenigde Nederlanden’, van belang ook voor onze kennis over de totstandkoning van de Vrede van Munster. Van Aitema onderhield veelvuldig contact met Adriaen pauw.

 

Dat blijkt uit de brief die Aitzema zijn werkgever een maand later toestuurde. Aitzema deed daarin verslag van een vertrouwelijk gesprek met de oudste zoon [=Gerard Pauw] van Adriaan Pauw had gevoerd. De erfgenamen hadden unaniem besloten dat de bibliotheek verkocht moest worden. Hoewel de collectie volgens hun zeggen een totale waarde van 180.000 gulden had, waren de erven zich ervan bewust dat zij dat bedrag er nooit voor zouden krijgen en waarschijnlijk zelfs op een groot verlies moesten rekenen. Zij schatten dat de boekerij bij verkoop 100.000 gulden zou opbrengen. In eerste instantie waren de erven vastbesloten de verzameling aan één koper over te doen, wellicht om de bibliotheek bijeen te houden. Bovendien zou een verkoop en bloc ook niet de rompslomp van een veiling met zich meebrengen. Een geducht concurrent had de hertog volgens zijn agent te vrezen in de persoon van de Franse bibliofiel Mazarin. De kardinaal was inmiddels teruggekeerd uit zijn ballingschap en hard bezig een nieuwe collectie op te bouwen, nadat zijn eerdere verzameling in 1651 door het Franse parlement publiekelijk was verkocht.

naude

Gabriel Naudé die als bibliothecaris voor kardinaal Jules de Mazarin in weinige jaren een nieuwe bibliotheek bijeenbracht van 40.000 boeken, begin van de nog bestaande Bibliothèque Mazarine in Parijs.

mazarin1

La Bibliothèque Mazarine, de oudste openbare bibliotheek van Frankrijk, tegenwoordig organisatorisch deel uitmakend van het Institut de France en de Bibliothèque Nationale

mazarin2

Interieurfoto van de door kardinaal-staatsman Jules Mazarin gestichte en naar hem vernoemde bibliotheek

De belangstelling van Aitzema hoefde bij de erven beslist geen argwaan te wekken: de diplomaat had immers jarenlang in professionele betrekking tot Pauw gestaan. De eerste onderhandelingen moesten echter om wat voor reden toch in alle stilte plaatsvinden. De erven zouden een taxateur aanstellen en hadden aan Aitzema gevraagd of hij wellicht deze taak op zich wilde nemen. Een jaar later was die situatie intussen veranderd. Wellicht hadden zich geen serieuze gegadigden aangediend die bereid waren de hele collectie te kopen. Niet alleen wed nu de naam van hertog August genoemd, maar de erfgenamen stonden ook niet langer afwijzend tegenover de verkoop van afzonderlijke delen van de boekerij. Op 25 maart 1655 schreef Michiel Pauw aan Philip Ernst Vegelin [was persoonlijk secretaris van de Friese stadhouder Willem Frederik van Nassau, die correspondeerde met vele geleerden in binnen- en buitenland, en als contactpersoon voor de agent fungeerde]: “Ik bedanke U.E. voor de genomene moeijte van mij onder couverte tie te laten komen, den brieff van sijne Vorstelijcke Genade de Heer Hertoch August van Brunswijk, waer op het antwort zal dienen dar naer gehoudene communicatie met mijne broeders, wij wel genegen souden sijn met ijmant van de hooggemelde Vorst in minnelijcke conferentie te treden over de manuscripten ende een gedeelte van d’andere boecken bij mijn vaerden [sic] Zaliger gedachtenisse naergelaten, indien wij begeeren, om alsoe eens te overwegen, offt oirbaer soude sijn, soodanige groten corpus daerom te scheijden.”Vegelin stuurde deze brief vervolgens naar Wolfenbüttel, waar de hertog erop antekende: “Ist beantwortet den 20 Maij 1655”. Aitzema berichtte zijn opdrachtgever rond augustus 1655 dat de oudste zoon van Pauw akkoord ging met verkoop van bepaalde boeken. De hertog kon zijn keuze maken en vervolgens zou de koopsom door een taxateur worden vastgesteld.

Bibliotheksrotunde Wolfenbüttel, gebouwd tussen 1705 en 1713 en in 1887 gesloopt toen een nieuwe bibliotheek is tot stand gekomen

‘Bibliotheksrotunde’ in Wolfenbüttel, gebouwd tussen 1705 en 1713 en in 1887 gesloopt toen een nieuwe bibliotheek is tot stand gekomen

notitieblaadje

Notitieblaadje waarop hertog August ontbrekende bladen en katernen opschreef. Tweede aantekening van onderen betreft het ontbrekende E-katern in Descartes’ “Principes”. (Herzog August Bibliothek; M.Keblusek, Boeken in de hofstad, 1997, p.261).

 

Gebaseerd op de aanwezige archiefcorrespondentie sla ik thans het hoofdstuk over de eerste onderhandelingen over omdat deze uiteindelijk niet tot een voor beide partijen goed resultaat hebben geleid en neem ten slotte enkele citaten van Keblusek over van de nieuwe onderhandelingen in 1656

Schilderij door Louis Tacke van de Bibliotheksrotunde in Wolfenbüttel

Schilderij door Louis Tacke van de vroegere  ‘Bibliotheksrotunde’ in Wolfenbüttel

‘De 1100 rijksdaalders [ongeveer ƒ 2.750] die al in december 1655 aan Aitzema waren uitgekeerd, werden op 22 januari 1656 via Chardinel aan hertog August teruggezonden. Aan de zaak leek daarmee een onbevredigend einde te zijn gekomen. Vijf maanden later echter begonnen de onderhandelingen van voren af aan.

golius

Geschilderd portret van Jacobus Golius (Jacob Gool), in 1596 in Den Haag geboren en in 1667 overleden. Hij was hoogleraar in Leiden in de oriëntalistiek. Gool bestudeerde en taxeerde de Oosterse handschriften uit de bibliotheek van Adriaan Pauw. Het lijkt er op dat deze uiteindelijk niet zijn gekocht door hertog August maar mogelijk in de privéboekerij van de zoon Adriaan Pauw jr. zijn opgenomen en na diens overlijden in 1697 alsnog zijn geveild. Door toedoen van Adriaan Pauw als curator van de Leidse hogeschool, ontving Golius een baan als kanselier van nieuwe Nederlandse consul in Aleppo, Cornelis Pauw (broer van Adriaan), in 1612 benoemd. Golius kwam terug in Leiden in 1629 en is toen ook benoemd als ‘ordinarius professor mathesis’.  Als Arabist en taalwetenschapper heeft Gool tijdens zijn verblijf in Syrië een aanzienlijke collectie handschriften verworven die in bezit van de bibliotheek kwamen en van zijn hand verscheen in 1640 een catalogus daarvan. Het wekte nochtans de woede op van bibliothecaris professor J.F.Gronovius toen bleek dat de nalatenschap van  de Leidse oriëntalist Golius, overleden in 1667, voor een groot deel  buyten ’s lands” was gegaan. De handschriften van Golius, degene die voor de Leidse collectie talrijke handschriften in het Oosten had verworven, waren “op ordre van den koningh van Vrankrijk…ingekogt en in zijne Majesteyts Bibliotheecq als nogh….bewaert”. Een ander deel van Golius’ handschriften kwam uiteindelijk in Oxford terecht. Eerder waren ten gevolge van laksheid van de Leidse bestuurders de handschriften verzameld door professor in de oriëntalistiek Thomas Erpenius in Cambridge beland. De komst van het rijke legaat-Warner uit 1665 zette in Leiden de oosterse traditie van Scaliger voort.

 

Op 6 mei 1656 kon Aitzema berichten dat De Swaef druk bezig was “un pertinent registre’ van de boeken samen te stellen. Ook de boekenkisten werden in gereedheid gebracht. Slechts een onbeduidend incident vertraagde ditmaal de toezending. De Leidse hoogleraar Gool, door Aitzema belast met de taxatie van de oosterse handschriften, had een van deze banden mee naar huis genomen om he daar te kopiëren. Niet eerder wilde hij het origineel afstaan voor het afschrift “plus net et lisible que le Principal” gereed was. Op aandringen van Aitzema beloofde Gool het handschrift binnen twee of drie dagen te retourneren. Hertog August gaf eind mei aan Edmond Chardinel de opdracht de erven uit te betalen, zodra de nieuwe koopsom bekend werd gemaakt. Deze zou naar schatting van Aitzema opnieuw tussen de 1100 en 1300 rijksdaalders liggen. De taxateurs waren op dat moment nog steeds aan het werk: “Jij reprise Le Sr. de Heemstede que NOS taxateurs entrassent en oeuvre et entamassent la taxation: comme le sien a desia fait; et le mien (:Voorhoeve) le sera iourd’ huij” Professor Gool hield zich intussen bezig met de handschriften: “Les pieces manuscripts, ou proprement ceux qui sont en langue orientale sont taxés par le professeur Gool: qui les estime fort haut: et il dit qu’il ij a une pieces [sic] don til n’ij a pas copie, ou semble au monde” Op dit oordeel kon de hertog rustig vertrouwen, want Gool “est un homme d’honneur, professeur en langues orientales a Leijden: homme de conscience, le ne pense pas qu’il voudrait faire in enorme tromperie”. Aitzema zou de aken in Den Haag verder afwikkelen en de boeken goed ingepakt naar Amsterdam sturen. Voor de verzending naar Duitsland en de financiële transacties droeg opnieuw Chardinel de verantwoording. Deze zou na ontvangst van het geld de erven uitbetalen. In een persoonlijke brief aan de hertog berichtte woordvoerder Adriaan pauw jr. op 2 juni nog ten overvloede dat “angehendt die Bewusste Bucher, wir geneigen seint, Ihre Furstl. Gnaden zu Accomodiren, und den zu folgenden zweij neutralen persohnen haben committiert um selbige zu taxiren, und also solche auf billiche und redeliche Conditiones“. Op 16 juni 1656 tekende Aitzema in zijn kasboek aan dat hij de packkisten boeken van Heer van Heemstede bibliotheek aen Sr. Chardinel had verstuurd. De uiteindelijke rekening bedroeg ƒ 2834 en 15 stuivers. Al een week later kon de agent meedelen dat de erfgenamen hun geld uit handen van Chardinel ontvangen hadden. Meer dan twee jaar na aanvang van de onderhandelingen was de verkoop eindelijk een feit.

De Herzog August Bibliothek van Wolfenbüttel, gebouwd tussen 1182 en 1886

De Herzog August Bibliothek van Wolfenbüttel, gebouwd tussen 1182 en 1886. Bekende figuren zoals de wijsgeer Gottfried Wilhelm Leibnitz van 1691 tot 1716 en letterkundige Gotthold Ephraim Lessing van 1770-1781 werkten als bibliothecaris van de bibliotheek. In de 20ste eeuw o.a. Erhard Kästner van 1950 tot 1968 en vervolgens Paul Raabe tot 1992

Boeken van Pauw in de Herzog August Bibliothek

wolvenbuttelinterieurglobes

Interieurfoto van de Hertog August Bibliotheek in Wolfenbüttel met globes en een antiek boekenrad.

Saenredam

Dankzij Hertog August bezit de bibliotheek van Wolfenbüttel  tarijke boekenveilingcatalogi uit Nederland die vaak in geen andere bibliotheken en archieven aanwezig zijn. Bovenstaand het titelblad van de verkoopcatalogus van de Haarlemse kunstschilder Pieter Saenredam uit 1667.

 

De vraag blijft natuurlijk, welke boeken uit de Bibliotheca Heemstediana in juni 1656 naar Hertog August werden verscheept. Het exemplaar van de catalogus Pauw dat zich in Wolfenbüttel bevindt, bevat geen hertogelijke aantekeningen. De in de catalogus vermelde handschriften zijn niet in de Herzog August Bibliotheek terug te vinden en zijn kennelijk niet aan de hertog verkocht. Alleen de zogenaamde “Bücherradkatalog” biedt een aanknopingspunt bij de speurtocht naar boeken van Adriaan Pauw in de hertogelijke bibliotheek. De opbouw van deze door hertog August zelf opgestelde catalogus houdt verband met de werkwijze binnen de bibliotheek te Wolfenbüttel. Omtrent de precieze gang van zaken in de Bibliotheca Augusta tast men nog steeds grotendeels in het duister. Vermoedelijk werden alle boekenkisten bij binnenkomst in een aparte ruimte opgeslagen. Daar werden de boeken geordend. De ongebonden, nieuwe boeken gingen vervolgens naar de binder, de gebonden werken konden al naar vakgebied en formaat worden gesorteerd en kregen hun signatuur toebedeeld. Vervolgens schreven klerken de aanwinsten bij in de doorlopende “Bücherradkatalog”: zij kopieerden minutieus de titelpagina, aangevuld met impressum en inhoudsopgave. Ruwweg werden de boeken naar vakgebied ingedeeld, dat wil zeggen dat de bijgeschreven titels enigermate in volgorde staan: theologische werken in folio eerst, gevolgd door de juridische etc. Titelbeschrijvingen van boeken in kleinere formaten volgden meestal een paar pagina’ s later. Bij een nieuwe partij aankopen begon men eenvoudigweg opnieuw met de indeling. De inschrijving lijkt afhankelijk van de hoeveelheid bij te werken titels. Was er een achterstand, dan kon het lang duren voordat nieuwe aankopen uiteindelijk in de catalogus terecht kwamen. De “Bücherradkatalog” vormt derhalve geen systematische catalogus, maar een chronologisch overzicht van de aanwinsten. Op sommige bladzijden is dan ook een datum genoteerd die aangeeft op welke dag de volgende titels zijn bijgeschreven. Juist dit gegeven biedt wat de collectie Pauw betreft de mogelijkheid de boeken in de Herzog August Bibliothek terug te vinden. De inhoud van de boekenkisten zal weliswaar zijn gesorteerd, maar de boeken zullen per vakgebied toch als groep bijeen zijn gebleven en ook als zodanig in de “Bücherradkatalog’ zijn bijgeschreven. Komt men dus een aantal theologische folianten uit de “Bücherradkatalog” in dezelfde editie in de catalogus uit 1654 tegen, dan bestaat de mogelijkheid dat het om dezelfde exemplaren gaat. Evenals alle verzamelaars in zijn tijd kocht hertog August standaardwerken, die ook iemand als Pauw in zijn bezit had. Een vermelding van een dergelijke titel in beide catalogi hoeft dan nog niets te betekenen. In zo’n geval is de bladzijde van de “Bücherradkatalog’ waarop het boek werd ingeschreven van doorslaggevende betekenis. Vindt men zo’n titel namelijk in de “Bücherradkatalog” terug op een pagina die na 1656 werd geschreven, samen met vele andere boeken die ook in de catalogus van Pauw voorkomen, dan gaat het waarschijnlijk om aankopen uit de Bibliotheca Heemstediana. Ter illustratie: de hertog was uitermate geïnteresseerd in geschiedkundige werken. De folio-uitgaven van Hooft’s Nederlandsche Historiën uit 164 bijvoorbeeld (een boek dat bij alle verzamelaars op de planken stond)) wordt pas op een cataloguspagina uit 1656 temidden van vele andere titels die ook in de catalogus van Pauw voorkomen, vermeld. Men kan gevoeglijk aannemen dat het niet lang daarvoor was aangeschaft en dat het hoogstwaarschijnlijk eerder aan Pauw heeft toebehoord. Vooral de pagina’s 4421-4465 en 4941-5088 uit de “Bücherradkatalog” zijn van belang: zij vormen de weerslag van aankopen uit de jaren 156-1664 en 1656-1659. In deze periode zouden ook de boeken uit de boekerij van Pauw moeten zijn ingeschreven. Inderdaad komen op die pagina’s grote aaneengesloten reeksen titels voor, die in de catalogus uit 1654 van Pauw in dezelfde editie zijn terug te vinden. Het gaat daarbij om de volgende aantallen: – Theologici in folio 35; – Juridici in folio 18; Juridici in quarto 7: Historici 44; Medici 25; Bellici 4; Geographici: 1; Quodlibet (overig) 1. Totaal 157.

Helaas bevindt zich in geen van de deze boeken een ex-libris van Pauw. Desondanks bevatten de banden genoeg informatie om de conclusie te rechtvaardigen dat we hier met werken uit zijn bibliotheek te maken hebben en wel om de volgende redenen. Bij de aankoop van Pauw’s verzameling ging het om al gebonden boeken en dat vormt dus een eerste aanwijzing. Ongebonden boeken liet de hertog namelijk zelf van een speciale, eenvormige band voorzien: deze band werd bij geen van de onderzochte titels aangetroffen, wat betekent dat de boeken inderdaad uit een andere bibliotheek afkomstig zijn en niet door de hertog nieuw zijn aangeschaft. Bovendien is een groot aantal van de betreffende folianten uniform gebonden in een lichte, perkamenten band, blind gestempeld, ribben op de rug en voorzien van brede groene linten. Het betreft hier werken die in het begin van de 17de eeuw zijn gedrukt, boeken dus die die de vorige eigenaar, hoogstwaarschijnlijk Adriaan Pauw, nieuw en ongebonden heeft gekocht en die hij zelf heeft laten binden. Helaas is er over de banden van Adriaan Pauw niets bekend, maar wel kan worden vastgesteld dat het in deze gevallen om Noord-Nederlandse banden gaat. Natuurlijk bevonden zich onder de aanwinsten uit de Heemstediana boeken die Pauw zelf gebonden heeft gekocht. In die gevallen kunnen gebruissporen en provenancegegevens een tweede indicatie vormen. Adriaan Pauw was een geziene gast op boekenveilingen in de Republiek en heeft veel uit voormalige Nederlandse verzamelingen aangeschaft. Daarvan getuigen bijvoorbeeld de namen van voormalige Nederlandse bezitters. Op het schutblad van “Keuren vande Vrijen’ (Brugge 1624 sign.67.12 Jur 2*) vinden we rekeningen en een soort notariële akte. Dit boek behoorde in 1628 toe aan Jan van Baelberghen en in 1636 aan Salamon Fallon. Wilhelmus vander Meer uit Delft voorzag het “Tractatus de lure” van Benedictus Aegidius (sign.63-3 Jur 4*) in 1634 van zijn naam. In de werken van de heilige Isodorus (sign.77.16 Theol.2*) werd op de titelpagina aangetekend: “Donum amplissimorum DD Consulum Amstelodamsium 1607 Johanni Lydio MF submissum”. Het titelblad van de “Amsterdamsche Zee-Caerten”, vervaardigd door Albert Haijen (Amsterdam 15591; sign.10.2 Geogr.2*) draagt de naam van Caspar Vosberghen. Deze ondernam als buitengewoon gezant van de Staten-Generaal diverse diplomatieke missies naar Denemarken en Parijs. Wellicht is Adriaan Pauw op de Haagse veiling van de bibliotheek van Vosberghen in 1651, in het bezit gekomen van dit werk. Bepaalde boeken bevatten signaturen of zijn op dezelfde manier gebonden. Waarschijnlijk hebben ze tot voormalige collecties behoord en heeft Pauw ze op een veiling gekocht. De “Chirurgia”, uitgegeven door Conrad Gesner (Turijn 1555; sign.21.6 Med2*), “La milice des Grecs et Romains (Parijs 1616; sign.9.1Bell.2*), “Les memoirs et recherches du Jean Tillet (Rouaan 1578; sign.182.5 Hist.2*) en de “Opera Omnia” van Flavius Josephus (Bazel 1544; sign.130.3 Hist2*) stammen uit eenzelfde bibliotheek. Op de titelpagina’s vinden we respectievelijk “Auct.Gr.12”, “Auct.Gr.18 Doublet”. “Auct.Gr.96”en “Auct.Gr.186”vermeld, hoogstwaarschijnlijk voormalige signaturen of nummers uit een veilingcatalogus. In 1584 behoorde het boek van Jean Tillet aan P.Hanneman, die bovendien zijn motto op de titelpagina schreef. Pieter Hannemann, onder andere werkzaam als griffier van het Hof van Holland, overleed in 1593. In dat jaar werd ook zijn boekenbezit geveild. Van zijn bibliotheek is maar één ander boek bekend.   Drie juridische werken (sign.75.3 Jur 2*; 81.6 en 81.7 Jur2*) hebben eenzelfde band. Op de rug is in grote letters de titel gekalligrafeerd. Op de band van een ander juridisch boek is de Nederlandse leeuw gestempeld (sign.59.13 Jur 28). Een aanzienlijk aantal van de boeken bevat Nederlandse aantekeningen en gebruikssporen. Op het titelblad van de “Chronyck vande gantsche werelt”(Antwerpen 1620; sign.37.21 Hist.28) is boven de naam van auteur Andries van Meerbeeck geschreven: “ongelooflijcke Historie schrijver”. Het schutblad achterin staat vol met aantekeningen die tijdens lezing zijn gemaakt. In Valesius “Controversarium medicarum” (Hannover 1606; sign.19.4 Med 2*) is een prijs in guldens genoteerd: “sumpt. 7 florenis”. Kunnen we van de hier genoemde boeken aantonen dat ze in elk geval uit Nederland afkomstig zijn en heel goed uit Pauws

Bibliotheek kunnen stammen, van de onderstaande drie werken is dat héél waarschijnlijk. Zij kunnen namelijk direct met Adriaan Pauw in verband worden gebracht. Menelaus Winshemius, medicus te Franker, schreef zijn naam in “Methodus universae artis medicinae” van Cornelis van Baesdorp (Brugge 1538; sign.48.4 Med.28). Winshemius had te Leiden gestudeerd. Zijn leermeester en promotor was de beroemde anatomicus Pieter Pauw, een (achter)neef van Adriaan. Onder de gekochte boeken bevinden zich de “Opera Omnia” van Constantinus Africanus (sign.43.3 Med2*) en deze zijn afkomstig uit de bibliotheek van diezelfde Pieter Pauw. Hij voorzag dit boek niet alleen van zijn naam, maar ook van zijn motto “Virtus ipsa sibi Protium”. De werken van Van Baersdorp en Constantinus Africanus zijn wellicht na de dood van Pieter Pauw aan Adriaan vermaakt of verkocht en in 1656 in Wolfenbüttel terecht gekomen. De “Definitieve Sententien” (Brussel 1533, sign.108.13 Jur 48) bevat een zeer interessante mededeling: “Overgelevert by d’Affgesant vanden heere Grave van Oldenburch tot Munster den iij. Augusty 1646”. Adriaan was op dat moment bij de vredesonderhandelingen in Munster aanwezig. Heeft hij het boek daar ontvangen? Pauw bezat volgens de catalogus uit 1654 twee exemplaren van dit werk. In de veilingcatalogus uit 1657 komt de titel nog maar één keer voor, wat betekent dat het andere exemplaar voor aanvang van de veiling verkocht werd. (…)’

Nog in 1661, toen de Pauw-bibliotheek was verspreid, publiceerde de Fransman  J.de Parival, in zijn: ‘De vermaecklijckheden van Hollandt’, een uitgave van de Amsterdamse uitgever/boekverkoper Samuel Imbrechts onder de dorpen tussen Leiden en Haarlem: ‘Mijn Heer Adriaan Pauw, Heer van Heemstede, Ridder, heeft hier eene treffelijcke Boekerije op-ghericht, in alle Wetenschappen, en Konsten; eene soodanige, dat niet licht eene hares gelijcke ghevonden sal worden, by een particulier en bysonder Heer. ’t is oock, in der daedt, een Man, die on verscheyde Amabssades, of Ghesantschappen, insondeheydt in de Munstersche, dezen staet seer grote diensten bewesen heeft.’ 

Het is zeer goed mogelijk dat bij verder boekhistorisch onderzoek meer gegevens bekend zullen worden over het verdere lot van de ‘Bibliotheca Heemstediana’.

NOTEN

(1)Ondanks het feit dat Reinier Pauw als rechter medeverantwoordelijk was voor de onthoofding van Landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt en sinds 1621 uit het stadbestuur was weggewerkt, was hij bij zijn overlijden op 19 februari 1636 bij de bevolking nog zo populair dat de uitvaart in de Oude Kerk plaatsvond ‘met een gevolgh van omtrent duysent persoonen, waaronder vele ongenoot uyt liefde mededingen.’

(2) Van de heerlijkheden kunnen worde genoemd: Heemstede (inclusief Bennebroek), Rietwijk, Rietwijkeroord, Nieuwerkerk, Vijfhuizen, Zuid-Schalkwijk, Oosterwijk, Schakenbosch en Hoogersmilde. (In zijn tijd sprak men in dit verband soms smalend van een ‘Pauwenstaart’).

(3)N. à Wassenaer, T vijfde-deel of ’t vervolgh van het Historisch Verhael aller gedenckwaerdiger geschiedenissen, die in Europa etc. van Aprili deses jaers 1623 tot october toe, voorgevallen sijn. Amsterdam, 1624, p.36.

(4)In een bewaard gebleven brief uit 1639 laat Pauw aan C.Huygens o.a. weten dat er ‘Mette jongste schepen uyt Oostindien ditmaal weynigh ofte gene rariteyten sijn overgecomen (editie Worp, nr.2200). Op een inventarislijst van geweren, wapenen en verdere rariteiten, opgemaakt op 1november 1796 worden behalve o.a. nog genoemd: ‘een staand uurwerk met klokkespel'(defect), een schilderij verbeeldende een jagtstuk, een dito verbeeldende en boerekermis, vijf kleine met (heraldische)  wapens van de familie achter glas, twee van gips op zwart, hoofden, een pourtrait van A.Pauw op linnen, aankomst van Maria de’ Medicis op den Huijse Heemstede op Bordpapier, een koopere Honde halsband met het wapen van Heemstede, een kopere kroon met blad en eikel van de tombe in de kerk.’.

(5) Wat resteert zijn de volgende twee basementen: a) een achtkantig piedestal met schone kant, een groot blok Namense steen. Het voetstuk waar een naaktbeeld van de Griekse godin Venus op gestaan heeft met een Latijns opschrift dat de zuil uit Bentheim afkomstig is met het jaartal 1647, b) een vierkant piedestal, van hardsteen met profielen, aan twee zijden een ledig schild, aan de 2 andere zijden een cartouche. Hierop is tegenwoordig een zonnewijzer geplaatst. In de 19e eeuw waren nog afgietsels van de uit godenbeelden aanwezig in de grote zaal van het Haarlemse Kunstnijverheidsmuseum, later naar Amsterdam overgebracht.

(6) Een vergelijkbaar ‘Prospect van Constantinopel’ van Melchior Lorisch hing sinds 1598 langs de noordkant van de Leidse academiebibliotheek en behoort thans tot de schatten van de universiteitsbibliotheek Leiden.

(7)H.Potter. Reizen door een groot gedeelte van Zuid-Holland, gedaan in de jaren 1807 en 1808. Amsterdam, C.L.Schleijer, 1809).

De heer W.A.de Clercq uit Santpoort-Zuid maakte mij in 1996 attent op een beschrijving van het Oude Slot door zijn bet-overgrootvader, de koopman en schrijver Willem de Clercq (1795-1844) die in zijn jeugd dikwijls logeerde op de hofstede ‘Kennemeroord’ bij zijn oom oom Hermann Rahusen en zijn tante Sara Rahusen-de Clercq, een zuster van zijn vader Gerrit. Willem de Clercq hield een dagboek bij tot en met 1817. Daaruit blijkt dat hij met zijn vader het Slot van Heemstede bezocht op 26 juni 1806. De tekst daarvan is als volgt: ‘3e journaal van Kennemeroord. Donderdag 26 juni 1806. ’s Ochtends speelden wij met de bal, Oom Rahuizen met papa in de chais gaan rijden vroeg deze laatste mij of ik agterop wilde staan. Wij reden de laan van Juff. Hodshon de Leidsche Vaart en bij ’t Schouwtje na de Wagenweg de stad door zagen wij t huis van de heer Barnaart bij dewelke de koning gelogeerd heeft. Vervolgens reden wij de buitensingels, toerden eenige laanen in den Hout reden de manege de Spanjaardslaan en Heerenweg na Kennemeroord. Te 3 uur wandelden wij de Heereweg tot aan de post aan welken de vrienden insloegen doch wij klommen op de duinen, en wij wandelden de Agterweg tot Heemstede waar wij vroegen om het slot te zien ‘t geen os toegestaan wierd waarvan ik de beschrijving zal geven. Een ontzaglijke oprijlaan leidde na tot het slot wij klopten aan de poort. Zij ging open en men trad in een tuin waar men de wallen van ’t slot zag waar op grote kloten en gebeeldhouwde leeuwen zag de tweede poort van ’t slot doorgegaan zijnde kwam men in ene plaats daar zag men het borstbeeld van den stichter Jan van Heemstede daar zag men een antique pop. Wij klommen vervolgens op in de geweerkamer; daar een gansch harnas met een helm en visier was men zag er schilden welke de huiden van schildpadden waren. Er was een zeer fraai schild waarop prins Maurits te paard zittende verbeeld was en op de schoorsteen pronkte een steen van Egyptische afkomst nevens een Jacobas kannetje. Men zag er kleine kanonnen een schild waarin een kanonnetje was, een ijzeren stormhoed. Aan de wanden zag men enige oude bogen het vaandel van een pijlkoker donderbussen degens allerhande soorten van lancen speeren en spietsen bussen daar men het kruid in plagt te hebben. Papa zag een klein raampje en was zeer nieuwsgierig om te weten wat het verbeelde en hoorde dat het gediend had tot een schoenenkast. Vervolgens kwamen wij in ene andere kamer alwaar het profil van Constaninopelen hing. Wij kwamen in de ridderkamer alwaar een zeer fraai geweven behangsel was verbeeldende een jagt. Wij kwamen ook in de wapenkamer alwaar al de oude [geslachts-]wapens der overledene heren waren. Wij zagen nog enige andere kamers daar bijna niets aan te zien was en klommen op de toren door kleine en nauwe trapjes. Daarboven was het een verrukkelijk gezigt het oog ontdekte het Sparen daar het zich in de Haarlemmer uitstort., het zeeduin int kort den geheelen omtrek toen gingen wij na den herberg alwaar wij advocaten borrel dronken ’t geen ons zeer verkwikte. Wij wandelden den landweg weder terug alwaar wij ontrust werden door een koe wiens hoofd aan zijn poot vast gebonden was en die ons agterna wilde zitten. ’s Middags wanden wij en dronken thee in de biliard. ‘

(8)In de bundel ‘Mengel-moes’ van Bruno is op bladzijde 213 een trouwdicht opgenomen ter gelegenheid van het huwelijk van Gerard Pauw, zoon van Adriaan en opvolger als Heer van Heemstede met Agatha van Hartighsvelt in 1645. Hendrik Bruno’s privé-boekerij – ook hij was een diligent boekenverzamelaar – is op 15 juni 1664 in Hoorn geveild.

bruno

Titelblad van H.Bruno’s: ‘Mengel-moes van verscheyde gedichten..’, 1666.

 

(9)Nicolaas Seys Pauw, oudste zoon van Adriaan Pauw werd privé onderwezen door Hendricus Reneri (1593-1639), de latere hoogleraar filosofie in Deventer en Utrecht, die in 1628 bevriend raakte met de in Amsterdam verblijvende Frans wijsgeer René Descartes.  De andere kinderen echter door een predikant uit Engeland die Pauw had ontmoet tijdens een educatieve reis van 5 maanden in dat land gedurende zijn studententijd. Het zou volgens een voetnoot gaan om ‘Mr.Pieter’ = Hugh Peter of Peters (1598-1660) Independent Puritan divine who had come to know and admire the Dutch when fleeing from persecution as a Nonconformist…leader of Independent congegation at Rotterdam…in 1630  chaplain, served as confidential agent for Cromwell’.

reneri

De wijsgeer Hendricus Reneri die als gouverneur  fungeerde van Nicolaas Seys Pauw, de oudste zoon van Adriaan Pauw

 

(10)Louis Jacob. Traicté des plus belles bibliothèques publiques et particulières qui ont été et qui sont présent dans le monde. Paris, Violet le Duc, 1644, p.431-432 (over Pauw’s bibliotheek)

(11) Nicéron schrijft ten aanzien van Jacob’s ‘Verhandeling’: ‘Ce gros ouvrage est rempli de choses inutieles et fausses. Comme l’Auteur était naturellement bon et crédule, il croyait aisément tout qu’on lui disait et ce qu’on lui écrivait, et se reposoit avec trop d’assurence sur la bonne d’autrui (Mémoires. Paris, 1729-1745, vol.40, p.93). Brunet beschouwde de ‘Traicté’ ássez curieux quoique fort imparfait’ (Manuel du librairie, 5e édition. Paris, 1860-1880, vol.3.col.478).

(12)Charles Patin. Relation historiques et curieuses de voyages en Allemagne, Angleterre, Hollande, Suisse etc. Amsterdam, 1695.

(13)W.Dolleman. Inventaris van alle de Documenten, Boeken, Caerten, Chartres en Papieren – in 1793 – op ’t Groot Comptoir van den Huyse van Heemstede bevindende.

(14)In 1624 was deze Van de Perre betrokken bij de bouw van een huizencomplex aan het zuid-oosteinde van de Prinsengracht. De notariële verklaring vond plaats in opdracht van Adriaan Pauw voor zijn zoon Nicolaas, die overigens na zijn huwelijk op de hofstede Oosterwijk in Beverwijk ging wonen.

(15) De uitgever-boekhandelaar Isaac Burchoorn, zelf ook dichter, gaf in 1636 een gedicht uit voor zijn cliënt in verband met door prins Frederik Hendrik gedwongen afscheid van Adriaan Pauw als raadpensionaris.

(16)Diverse boekwerken zijn aan de Amsterdamse burgemeester Reinier Pauw opgedragen, terwijl aan hem één publicatie wordt toegeschreven, een strijdschrift van contraremonstrant Reinier Pauw tegen de remonstranten (Knuttel, nr.3834).

portret

Portret van Reynier Adriaanszoon Pauw (1564-1636) uit 1631 door Jan Antonisz. van Ravesteyn (Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, iconografisch bureau)

 

(17)Toen ‘Palamedes of vermoorde onnnooselheyd’ van Vondel in 1625 als toneelstuk was verschenen was Adriaan Pauw een van de eersten die wilde dat de auteur voor dit voor zijn vader kwetsende stuk gerechtelijk zou worden vervolgd. Pauw Reinier Pauw was voorzitter van de vierschaar geweest die Johan van Oldenbarnevelt tot de doodstraf veroordeelde. Adriaan Pauw nam contact op met de procureur-generaal van het Hof van Holland in ’s-Gravenhage. Ook consulteerde hij schepen Andries Bicker die hem echter ten antwoord gaf: ‘Als men onze burgers naar Den Haag zal voeren, wat echter hebben we dan hier te doen.’

Vondel.jpg

Vonfdel’s ‘Brieven der Heilige Maeghden’ was het enige boek van Joost van den Vondel uit 1642 dat Pauw in zijn bibliotheek opnam.

 

(18)Zie: P.Geyl. Christoforro Suriano; resident van de serenissime republiek van Venetië in Den Haag, 1616-1623. ’s-Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1913.

(19)Arundell Esdaile. The British Museum Library. London, Allen and Unwin, 1948. (2nd impression), p.179.

(20)Deze brieven bevinden zich in het heerlijkheidsarchief van Heemstede. De antwoorden van Pauw zijn voor zover bekend niet bewaard gebleven.

(21) Paul Lehmann. ‘Aus dem Leben, dem Briefwechsel und der Büchersammlung eines Helfers der Philologen‘. In: Archiv für Kulturgeschichte XXVIII (1938), p.183. B.Rottendorf schonk ook voor Pauw’s bibliotheek het 17e eeuwse boek: ‘Catalogus et gesta Episcoporum Monasteriensium ab a 772-1612’ over de geschiedenis van kerkelijk Munster, maar daar had hij geen enkel probleem mee. H.Lahrkamp schreef: ‘Der Franzose François Ogier was oftmals Tischgast des Domdechanten  Mallinckrodt, bei dem auch Saavedra verkehrte. Einmal traf er bei Mallinckrodt die drie niederländischen Gesandten Ripperda, Pauw und Clant in der die Korrespondenz des Artztes mit dem in Deventer wirkenden Philologen Johann Friedrich Gronovius vermittelt hat, einem gebürtigen Hamburger, den man den Begründer der niederländischen Humanistenschule nennt. Adriaan Pauw, der Sachwalter der reichen Amsterdammer Kaufherren, war ein Bücherkenner und überredete Rottendorff, ihm seim em Pergamentcodex des Plautus “nolens volens” abzutreten, was jener später betreute. Mallinckrot besass neben Inkunabeln auch eigenhandige Lutherbriefe, die Ogier nach seiner eigenen Aufzeichnung mit ähnlicher Neugierde betrachtete, wie die Münsterschen Andenken an den Wiedertäuferkönig Jan von Leyden; ein anderes Mal legte ihm der Domdechant den angeblich ältesten Druck vor, das “Speculum humanae salvationis” des Druckers Laurens Janszoon Coster von Haarlem, für den seine holländischen Landsleute den Ruhm der Erfindung der Buchdruckkunst beanspructten. Mallinckrodt hatte das seltene Werk leihweise durch die Vermittlung Pauws erhalten. (…)’. 

(22) François Ogier, vermaard kanselredenaar in dienst van Claude Mesmes, graaf van Avaux, tweede Franse gevolmachtigde, beschreef zijn verblijf in Munster in zijn ‘Journal du Congrès de Munster’. Publié par Auguste Boppe. Parijs, 1893 (voor de avond bij Mallinckrodt, p.168). De Parijse kanunnik Claude Joly vergezelde de echtgenote en de dochter van de eerste Franse gevolmachtigde Henri II d’Orléans, hertog van Longueville, naar Munster en van daaruit op verschillende uitstapjes onder andere in 1646 naar Amsterdam, waar zij de drukkerij van Blaeu bezochten (‘la plus belle imprimerie du monde’) en Haarlem, waar zij zich verdiepten in de Coster-kwestie. Zie Claude Joly, ‘Voyage fait à Munster en Westphalie et autres lieux voisins en 1646 et 1647.’ Paris, 1670, p.123-130. Waren de Costeriana die Pauw aan de domdecaan leende zijn eigendom? De la Fontaine Verwey meent waarschijnlijk niet, maar eigendom waren van de Haarlemse stadsbibliotheek, omdat zij niet voorkomen in de catalogus van zijn bibliotheek.

(23)’The significance of the sale catalogue of the library of Adriaan Pauw – one of the largest private libraries of the period – is, of course, far wider than the Cartographic aspect which concerns us here. It is moreover a fortunate circumstance that the description of the books is far better than was customary at the time’ [C.Koeman. Collection of maps and atlases in the Netherlands; their history and present state. Leiden, E.J.Brill, 1961, p.32-35.].

(24)Ter vergelijking: de openbare stadsbibliotheek in Hoorn telde omstreeks 1650 ongeveer 300 boeken op 13 planken; Haarlem ruim 700 op 27 planken; Amsterdam slechts 1.000 op 36 planken; de academiebibliotheken in Leiden en Utrecht tussen de 5.000 en 6.000 boeken. Van de particuliere bibliotheken was die van Pauw het meest omvangrijk met bijna 16.000 boeken, gevolgd door die van Nicolaas Heinsius met ruim 13.000 banden. Andere particuliere boekerijen van geleerden en regenten, zoals van Daniel Heinsius, Gerard en Johannes Vossius, Johannes Thysius , Petrus Scriverius, Johan de Witt etc. waren geringer van omvang.

(25) O.a. E.F.Kossmann. De boekhandel te ’s-Gravenhage….’s-Gravenhage, 1937. (Bijdragen tot de geschiedenis van den Nederlandschen boekhandel, XIII).

(26)Johannes Mulen. Bibliothecae libris rarissimus in qualibet facultate & materia instructa, publicae Academiae bibliothecae donata. Copenhagen, 1670 (volgens en toelichting zijn de meeste van deze boeken in 1728 bij een brand in rook opgegaan).

(27) In een noot bij haar artikel ‘“Heerlijke” boecken voor de Hertog’ schrijft Marika Keblusek: ‘Een vergelijking van de catalogus uit 1654 en de veilingcatalogi uit 1656 en 1657 (KBK 79II-85) laat zien dat grote aantallen boeken uit de bibliotheek van Pauw voor de veiling al verkocht waren. Van de 5589 Theologici in de catalogus van 1654 zijn er in de veilingcatalogus nog 3831 titels over, wat inhoudt dat maar liefst 1758 boeken al van de hand ware gedaan. Van de 1385 juridische titels zijn er in 1656 nog 1182 over; een verschil van 203 titels. In 1656 blijkt de helft van de handschriften voor de veiling verkocht te zijn; van de 146 handschriften zijn er bij de veiling nog 74 over. Bij de Historici-Politici ontbreken in de veiling catalogus van september 1657 692 boeken; waren er in 1654 3036 titels in de bibliotheek, in 1657 zijn dat er nog maar 2344.

(28)Dit verhaal werd in verteld aan Zacharias von Uffenbach in 1710 door Gerhard von Maastricht, syndicus van Bremen en bekend boekenverzamelaar, zie: Uffenbach’s ‘Merkwürdige Reisen durch Niedersachsen, Holland und Engeland, II. Ulm, 1753, p. 194.

(29)Tegenwoordig in de collectie Pauw van Wieldrecht, in het Nationaal Archief Den Haag.

 

-Archieven:

Nationaal Archief Den Haag: Adriaan Pauw collectie [Pauw van Wieldrecht]; Heerlijkheidsarchief Heemstede in Noord-Hollands Archief, locatie Janskerk; Heemstede collectie: Adriaan Pauw en het Oude Slot, locatie Kleine Houtweg.

Literatuur

-Adriaan Pauw(1585-1653): catalogus van literatuur over Adriaan pauw en het Oude Slot in de gemeentelijke openbare bibliotheek Heemstede; samengesteld door Hans Krol. Heemstede, bibliotheek, 1985

-Adriaan Pauw (1585-1653), staatsman en ambachtsheer. Door H.W.J.de Boer/H.Bruch/H.Krol. Heemstede, 1985.

-Apologia van de Heer Adriaen Paeuw, Heere van Heemstede. Haerlem, Pieter Iansz., 1652.

-Berkvens-Stevelick, Christiane. Magna Commoditas; geschiedenis van de Leidse Universiteitsbibliotheek 1575-2000.Leiden, 2001.

-Doorninck, P.N.van. Inventaris van het archief van de heerlijkheid Heemstede. Haarlem, Gebr. Van Brederode, 1911.

-Drielsma, H.A.Een leenrechtadvies van Simon van Leeuwen en de faculteit der rechtsgeleerdheid te Leiden betreffende Adriaan Pauw en de heerlijkheid Heemstede; 29 april – 12 mei 1653. In; Verlagen en mededelingen van de Vereniging tot uitgaaf der bronnen van oud-vaderlandsch recht; deel XII, nrs.1-3, 1960-1965, p.329-3711.

-Fens, Kees. De meest gesublimeerde vorm van roddel. In: De Volkskrant, 24 maart 1997.

-Fölting, H.P.De landadvocaten en raadpensionarissen van Holland en West-Friesland, 1480-1795; een genealogische benadering. In: Jaarboek Centraal Bureau Genealogie; delen 27 (1973) en 28 (1974). Adriaan Pauw; deel 28, p.247-257.

-Fontaine Verwey, H.de la. Adriaan Pauw en zijn bibliotheek. In: Uit de wereld van het boek. Deel IV: Boeken, Banden en Bibliofielen. Hes Uitgevers, 1997.p.183—196. Tevens gepubliceerd in: Boek, bibliotheek en geesteswetenschappen; opstellen door vrienden en collega’s van dr.C.Reedijk geschreven ter gelegenheid van zijn aftreden als bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek te s-‘Gravenhage. Hilversum, Verloren, 1996, p. 103-115.

-Fouw Jr.A.de.Onbekende raadpensionarissen; ingel. door D.H.Th.Vollenhoven. ’s-Gravenhage, Daamen, 1946. Bevat: Adriaan Pauw (1631-1636; 1651-1653), p.45-90.

-Frederiks, J.G.De nagelaten boekerij van raadpensionaris Pauw. 1654. In: Bijdragen tot de geschiedenis van den Nederlandschen boekhandel, deel 5, 1892-1985, p.306-314.

-Historische stadsbibliotheken in Nederland’. Studies over openbare stadsbibliotheken in de Noordelijke Nederlanden vanaf circa 1560 tot 1800. Zutphen, Walburg Pers, 2017.

-Katalogus van uitstalling 40 x Adriaan Pauw in de picture 5-30 juli 1988. Heemstede, bibliotheek, 1988.

-Keblusek, Marika. Boeken in de hofstad; Haagse boekcultuur in de Gouden Eeuw. Hilversum, Verloren, 1997.

-Keblusek, Mariska. ‘Heerlijke boeken voor de hertog; Hertog August en de verkoop van de bibliotheek van Adriaan Pauw. In: De Boekenwereld; 10de jaargang, nummer 2, december 2993, p. 71-84. [Karin Schoneveld zorgde voor de reconstructie van de door hertog August van de erven pauw gekochte boeken].

-Huygens, Lodewijck. The Englisch Journal 1651-1652 Edited and translated by A.G.H.Bacrach and G.Collmer. E.J.Brill/Leiden University Press,, 1982.

-Mourits, Esther. Een kamer gevuld met de mooiste boeken. De bibliotheek van Johannes Thijsius (1622-1653). Nijmegen, Vantilt, 2017.

-Tjesssinga, J.C. Het slot van Heemstede onder Adriaan Pauw. Heemstede, VOHB, 1949.

Vloten, Johannes van. De Heer van Heemstede en de boekerij van Koning Karel 1. In: Onze Tolk, 6, 1874-’75, p.363-364 (Overgenomen in: Nieuwsbrief van de Vereniging Oud-Heemstede Bennebroek, 39, februari 1984, p.14-18.

Nota Bene: de catalogus der nagelaten bibliotheek van Adriaan Pauw uit 1654 werd door mij ingezien in de bibliotheek van de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels (U.B.Amsterdam), met dank aan conservator mw. M.C.Keyser.  Voorts zijn documenten geraadpleegd uit het Archief Pauw van Wieldrecht (Nationaal Archief Den Haag). Mw. dr.I.H.van Eeghen was zo vriendelijk mij in 1985 te attenderen op enige archiefstukken met betrekking tot Adriaan Pauw in het Stadsarchief van Amsterdam.

Bijlage 1: Adriaan Pauw Junior als verzamelaar van boeken

Van de directe familieleden van Adriaan Pauw is bekend dat zijn jongere broer Michiel Pauw (1590-1640) ook een verzamelaar van boeken. Bovendien als schepen van de stad Amsterdam curator van de stadsbibliotheek.

Voorzijde atalogus van de stadsbibliotheek van Amsterdam uit 1622, samengesteld door bibliothecaris Mattheus Sladus. In het midden boven het stadwapen en in de rechterkolom boven het geslachtswapen van Michiel Pauw, schepen van Amsterdam en curator van de bibliotheek

Voorzijde catalogus van de stadsbibliotheek van Amsterdam uit 1622, samengesteld door bibliothecaris Mattheus Sladus. In het midden boven het stadwapen en in de rechterkolom boven het geslachtswapen van Michiel Pauw, schepen van Amsterdam en curator van de bibliotheek

Over aanwinst catalogus uit 1622

Over aanwinst catalogus uit 1622 met vermelding van Michiel Pauw als curator van de stadsbibliotheek Amsterdam (Algemeen handelsblad, 1922)

stadsbibliotheek

Exlibris Amsterdamse stadsbibliotheek (voorloper van de universiteitsbibliotheek, in de periode dat deze gevestigd was in de Agnietenkapel

Braij.jpg

Salomon de Braij: bezoekers van een boekhandel in de 17e eeuw (Rijksprentenkabinet Amsterdam)

 

pothoven

De Groote Zaal ofwel Ridderzaal op een schilderij door H.Pothoven uit 1779. Links en rechts waren boekhandels gevestigd  en tevens bevond zich hier een kantoor van de Staatsloterij (Mauritshuis)

Van zijn kinderen weten we dat enkel Adriaan Pauw (junior) (1622-1697) op dit gebied in het voetspoor van zijn vader een bibliotheek bijeenbracht. De zoon werd na overlijden van de vader Heer van Bennebroek en Schakenbos. Vanaf 1670 vervulde hij een hoge functie als president in het Hof van Holland, Zeeland en West-Friesland, destijds het hoogste rechtscollege in ons land. Adriaan Pauw jr. stond regelmatig bij uitgevers-boekverkopers in het krijt, o.a bij de Elseviers. In Den Haag bewoond hij een groot pand aan de Herengracht, bekend als ‘Het Huis van de Heer van Bennebroek’ en begin 1657 kocht hij als buitenverblijf ‘Huize Duinwijck’ in Bennebroek. Op een fraai en zeldzaam portret, anoniem maar naar wordt aangenomen vervaardigd door Romeyn de Hooghe, is deze telg uit get regentengeslacht Pauw afgebeeld met een wetboek en draagt hij de orde van Sint Michael.

Portret van Adriaan Pauw jr. door Romeyn de Hooghe

Portret van Adriaan Pauw jr. door Romeyn de Hooghe

Adriaan Pauw jr, gold, meer dan zijn vader, als een mecenas van kunsten en wetenschappen. Bij gelegenheid van zijn huwelijk op 18 mei 1644 in ’s-Gravenhage met zijn beeldschone nicht Cornelia Pauw verscheen een bruiloftsdicht van P.S.Kagman (1). Verschillende publicaties zijn aan hem opgedragen, o.a. van de geleerde Haagse predikant Willem Saldanus het boek ‘De libris varioque eorum et abusu’(Amsterdam, 1688) en van Jacobus Gronovius in 1689 een uitgave van ‘Cebes’tafereel’. Voorts droeg P.Schenk hem een foliokaart op van Guinea, Jaloffe en Sierra Leone. Constantijn Huijgens jr., die van 1 februari tot 11 maart 1649 de buitengewone missie van Adriaan Pauw sr. naar Engeland vergezelde, noemt hem meermaals in zijn ‘Journalen’ (II, p.33,83.457) (2). De grote dichter Constantijn Huijghens refereert aan de Pauwen in diens ‘Uytwandeling’(1649), reizend door Bennebroek:

Over veiling nagelaten bibliotheek van Adriaan Pauw jr.. Uit: Opr. Haerlemsche Courant van 13 augustus 1697

Over veiling nagelaten bibliotheek van Adriaan Pauw jr. in Leiden Uit: Opr. Haerlemsche Courant van 13 augustus 1697

Volledige titel van veilingcatalogus: Praestantissima in omni studiosorum genere bibliotheca, In qua excellunt Theologici, Patres, Juridici, Historici sacri & profani: Geo Topo-Stemmato-Graphici, Genealogici, Numismatici, Poetae, Antiquarii, aliique Miscellanei. Quos magno studio & sumptu, dum viveret, collegit Vir Nobilissimus Adrianus Pauw, Eques, per paucos excipias, Gallico & quidem elegantioro more sunt compacti, vel alio quovis modo nitidissime deaurati; interque eos, in quibus figuerae sunt, plurimi illis elegantiissime ac pretiossime delineatis mocant exornati. Qui publica auctione Distrahendi in Officina. Johannis du Vivié Et Isaaci Severini. Bibliopolar. Lugd. Batavorum Die 24 Septembris St. Nov. 1697.  Tribus ante Auctionem Diebus patebit Bibliotheca.  De catalogus is aanwezig in de Koninklijke Bibliotheek van Kopenhagen; Bibliotheek van Weimar, Herzog August Bibliothek Wolfenbüttel. Als opbrengst van de veiling is vermeld 10.471 florijnen en 16 stuivers. In een annotatie de volgende gegevens: Verboden boeken op pagina 100. Daarna 4 p. met handschriften in Oosterse talen. Gaat het hier nog om handschriften afkomstig van zijn vader Adriaan Pauw? Ook elders handschriften, zie bijv. pagina 2, nr.23. Vergelijk Daphne Riupassu: Inventaris van het archief van de ambachtsheerlijkheid Bennebroek (1464) 1653-1899. Haarlem 1989, overgetypt 2001. Hiervan het onderdeel D. Stukken van persoonlijke aard, s.v. Anna Christina Pauw, 632, Brief van Jean du Vivier te Leiden aan Anna Christina Pauw inzake het laten drukken van een boekencatalogus in verband met een te houden verkoop, 1697; met lijst van de boeken. 2 stukken.’Vivier is Johannes du Vivie. Deze bron geeft de mogelijkheid om te controleren of de Oosterse handschriften inderdaad van Pauw waren. De stukken worden bewaard in het Noord-Hollands Archief.

Leiden, Johannes Du Vivié & Isaac Severinus, 1697.

‘(…) En Vaer en Grootevaer en Grootevaers kinds kind,

Van velen en veel deugds, en ander vedel bemint’ (3).

In de destijds populaire historische roman ‘Elizabeth Musch’(1580) van Jacob van Lennep is raadsheer “mr.Adriaan Pauw, Heer van Bennebroek” één van de hoofdpersonages.

Na het overlijden van Adriaan Pauw jr. is zijn rijke bibliotheek, die ook juridische boeken uit de collectie van zijn vader bevatte, in Leiden geveild.

adriaanben

Schilderij van Jan Mijtens: Adriaan Pauw en echtgenote Cornelia Pauw + 2 kinderen. De 2 engeltjes boven het echtpaar verbeelden 2 overleden kinderen (RKD-Iconografisch Bureau)

 

Noten

(1)Aanwezig in de Koninklijke Bibliotheek (signatuur 853 A 168)

(2) Zie ook: Hora Siccema. Aanteekeningen op het Register, pagina 528.

(30 Vaer – Adriaen Pauw; Grootevaer = Reinier Pauw; Grootevaers kinds = Adriaan Pauw jr., heer van Bennebroek.,

Schrijven van dr.G.Lahrkamp, stadsarchivaris van Munster de dato 19 maart 1985

Schrijven van dr.G.Lahrkamp, stadsarchivaris van Munster de dato 19 maart 1985

pauwmichiel1617

Michiel Pauw (1617-1658), echtgenote Anna Maria Fassin en 2 van de zes kinderen met op de achtergrond het (groot)vaderlijk buitenhuis te Heemstede, geschilderd door Daniel Mijtens.in 1654

Bijlage 2: AAN ADRIAAN PAUW OPGEDRAGEN BOEKEN:

isendoorn

Gegraveerd portret van Gijsbert van Isendoorn (1601-1657) door Cripspijn de Passe (de Jongere) Van Isendoorn was filoloog en wijsgeer en woonde o.a. in Deventer. Hij was bevriend met Adriaan Pauw die hem altijd thuis opzocht op weg naar Munster. Van Isendoorn droeg zijn publicatie: Cursus logicus; Logiva Perpateica, 1645 (herdruk 1652) aan Adriaan Pauw op.

 

 

Pauwboekenopgedragen.jpg

Overzicht van een aantal aan Adriaan Pauw opgedragen boeken die met uitzondering van publicatie van Gijsbrecht van Isendoorn. ook in zijn bibliotheek aanwezig waren. Ter aanvulling: De titel van boek Franciscus Hackius is: Publius Tententius Afer: Comediae Sex. (Leiden, 1644, 814 + 32p.);  ‘Triumph Liedt van Cupido van ‘Maugre envie’ [naamspreuk] is een bruiloftstlied op het huwelijk van Adriaan Pauw met Anna van Ruytenburgh.  Voorts – van Petrus Ramus [=Pierre de la Ramee]: Meetkomst in XXVII boeken. Amsterdam. W.J.Blaeu, 1622. Met opdracht van D.H.Houtman aan Adriaan Pauw, Heer van Heemstede; – Observatien op de brief van A.de Bruyn. Deventer, 1647. Opgedragen aan Adriaan Pauw; – Nederlandsche Absolutie op de Fransche Beydenis. Amsterdam, Jacob Nes, 1648. Opgedragen aan Adriaan Pauw.

rivet

Het boek van André Rivet (1572-1651): Grotianae discussionis sive vindiciae apologetici, sui pro vera pare ecclaesiae, contra subidos mediatores. Rotterdam, Arnold Leers, 1646. Bevat opdracht aan Adriaan Pauw

 

Regni.jpg

Elzevier-uitgave uit 1639:’ Regnio Chinensis description ex variis auctoribus’, opgedragen aan Adriaen Pauw.

 

Wolfenbuttel2012.png

De Hertog August Bibliotheek in Wolfenbüttel is door mij twee maal bezocht, de laatste keer in 2012.

boeken

Boeken in de Herzog August Bibliothek. De bibliofiele hertog vervaardigde een classificatie in 20 hoofdgebieden en beschreef aanvankelijk eigenhandig de perkamenten banden

 

BIJLAGE 3:  SCRIVERIUS, ADRIAAN PAUW, Gabriel NAUDE, OGIER EN MALLINCKRODT in verband met pro en contra Coster als uitvinder van de boekdrukkunst

Michiel Roscam Abbing en Pierre Tuynman wijdden een uitvoerige studie aan: ‘Om de eer van Haarlem. “Scriverius’ verdediging van Laurens Janszoon Coster”, waarin het deel dat o.a. betrekking heeft op een brief van Pauw aan Scriverius aan de orde komt.

coster1

Titelblad van Petrus Scriverius’ Laure-crans voor Laurens Coster van Haerlem. eerste vinder van de boeck-druckery Haerlem, Adriaan Rooman, 1628

 

‘(…) De strijd om de eer van Haarlem en Holland werd intussen door anderen wel voortgezet. Uit een ongedateerde brief van Adriaen Pauw (1585-1653)  aan Scriverius, evenens in het Familiearchief van Hoogstraten, weten we dat Scriverius niet nader omschreven boeken en papieren van hem leende op een moment dat hij in Haarlem verbleef (1). Adriaen Pauw, heer van Heemstede, in 1631 benoemd tot raadpensionaris van Holland, bezat met circa 16.000 titels de grootste bibliotheek van de republiek (2). Tijdens het schrijven van de ” Laure-crans” verbleef Scriverius in Haarlem (3). Mogelijk doelt Pauws brief op dat verblijf en moet deze in 1627 of 1628 gedateerd worden, maar zeker is dat niet. Wel is duidelijk dat Pauw de zaak van Coster een warm hart toedroeg. Tijdens zijn verblijf in Münster als onderhandelaar voor de vrede die ten slotte in 1648 getekend werd, was hij geregeld te gast bij domdeken Bernhard von Mallinckrodt (1591-1664) die zelf ook een prachtige bibliotheek bezat. Mallinckrodt had in 1638 en 1640 twee boeken over de kwestie Haarlem-Mainz geschreven, waarin hij Naudé steunt en Scriverius en Boxhorn aanvalt (4). Pauw leent nu in Münster aan Mallinckrodt enkele Costeriana die hij speciaal uit Holland laat overkomen. Twee Fransen, Ogier en Joly, die in november 1646 bij Mallinckrodt te gast zijn, krijgen deze boeken te zien. Ogier beschrijft een convoluut van drie blokboeken: een Latijnse “Speculum humanae Salvationis”, een “Ars moriendi” en een zogenaamde “Biblia pauperum”.

blok1bibliopauperum

Illustratie uit een ‘Biblia Paperum” (Armenbijbel)

 

Joly noemt dit laatste en een “Apocalyps” en noteert darbij dat er portretten van Coster vóór de boeken gevoegd waren en titelbladen met de jaartallen 1428, 1430 en 1440 (5). Overigens worden deze Costeriana niet genoemd in de catalogus van Pauws bibliotheek uit 1654 ten behoeve van een eerst in 1656 gehouden veiling (6). De “Biblia pauperum” is door Scriverius in de “laurecrans”(p.97-98)  inderdaad op 1428 gedateerd, als het oudste blokboek en de eerste uitgave van Coster. De maker van de titelpagina’s zal echter Scriverius en Hunius’ datering van de Nederlandse “Spieghel onser behoudenisse” op 1440, een jaar voor de noodlottige diefstal door Costers knecht, ten onrechte hebben toegekend aan de Latijnse “Speculum”, die in de “laure-crans”  niet besproken wordt. Voor de “Ars moriendi”, waarvan Scriverius slechts één plano kende (Laure-crans, p.98-99), geeft hij alleeen aan dat dit uit de begintijd van de drukkunst stamt. Later toegevoegde titelbladen en portretten als de in 1646 gesignaleerde komen eveneens voor bij deels dezelfde werken in de Stadsbibliotheek van Haarlem, aangekocht in 1654. In de catalogus van Jaspers uit 1988 zijn dit cat.nrs.1 (“Apocalyps”), 2 (“Ars moriendi”), 3 (“Canticum Canticorum”) en 7 (“Speculum humane salvationis”) (8). In de “Laure-crans” worden hiervan nummer 1 en 7 niet besproken. De meeste titelbladen zijn in het Latijn, maar op dat van het “Canticum Canticorum”, waarvan Scriverius overigens alleen zegt dat de letters wat ‘volmaeckter’ lijken dat in de “Biblia pauperum”(“Laure-crans, p.98), is daaronder ook een Nederlandse tekst gesteld: ‘Figuren ende Taeffelen in Hout gheseneden by laurens Janz. Koster van Haarlem ghedrukt omtrent den jarer MCCCXXX (9). Op de toegevoegde titelpagina bij de Latijnse “Speculum” luidt het impressum bijvoorbeeld weer anders: ‘ex officina Laurentii Ioannis Costeri / Ao. 1440′ (10). De toegeboegde portretten betreffen de gravure van Van de Velde, de ets van Saenredam of de anonieme houtsnede (11). Vroege eigenaren, onder wie vermoedelijk Adriaen Pauw, hebben blijkbaar na verschijning van de “Laure-crans” deze en misschien nog andere exemplaren van blokboeken voorzien van titelbladen, jaartallen en portretten om de toeschrijving aan Coster te onderstrepen en voor het nagesklacht vast te leggen. Boxhorn, die Scriverius in 1632 al gesteund had tegen Naudé. heeft verder ook werkelijk invulling aan Scriverius’ programma, in dit geval het verdedigen van Coster en de eer van Haarlem. In 1640 verschijnt van zijn hand in Leiden “De typogrphicae artis inventione et inventoribus dissertatio” (Verhandeling over de uitvinding en de uitvinders van de boekdrukkunst), gedrukt door Willem Christiaensz., waarin hij de Haarlemse zaak tegen Naudé en nu inmiddels ook tegen Mallinckrodt verdedigt. In 1640 komt zijn eveneens door Willem Christiaensz. van der Boxe gedrukte “Nederlantsche historie” uit met opnieuw een lange uiteenzetting over hetzelfde met wat niet meer dan een herhaling van zetten is”(12). Van Scriverius vernemen we niets meer over dit onderwerp. Achteraf beschouwd is zijn zoektocht tevergeefs geweest. Er zijn immers nooit bewijzen gevonden voor de Haarlemse aanspraken. Wat die voor Scriverius (en in feite al voor Coornhert in 1561)  inhielden, was niet dat de eerste boeken met goed gevormde losse metalen letters in Haarlem waren gedrukt (13). Die eer kon Mainz niet worden ontzegd. (…)

blokspeculum

Uit Nederlandse Speculum Humanae Salvationis, circa 1479,  met illustratie van Annunciatie en Mozes voor het brandende braambos (cat.9 G.J.Jaspers: De blokboeken en incunabelen in Haarlems Libry. 1987, p.180)

 

NOTEN

(1)Deze brief berust in het Familiearchief Van Hoogstraten (nr.54), 11.5: “Harlemenses mirantur nullum a Vobis scriptum as se emanare’.

(2)Familiearchief Van Hoogstraten, 14.6.

(3)Familiearchief Van Hoogstraten, 9.22

(4)H.de la Fontaine Verwey, ‘Adriaan pauw en zijn bibliotheek’. In: W.H.R.Koops Red.), Boek, bibliotheek en geesteswetenscahppen, Hilversum 1986, p.103-1125.

(5)Op p.90 van de Laure-crans zegt Scriverius dat hij een bepaald boek, aanwezig in de Leydsche Bibliotheque’niet kan inzien, omdat het ‘nu te verre van handt is’en op p.102 dat hij ‘alhier'(bedoeld is: in Haarlem) boeken heeft geïnspecteerd. Scriverius’ dateringen in de Laurecrans zijn ‘Kalendis novi anni 1628. Harlemi'(1 januari 1628, p.13); ‘Harlemi 15 Augusti, 1628′(p.79); ‘Harlemi XIV Kal. Octob.1628′(18 september 1628, p.119). Ook op Vastenavond, 7 maart 1628, was hij in Haarlem (Saturnalia uit 1630 (bij n.65), p.12).

(6)B.von Mallinckrodt, Discretatio de natura et usa litterarum, Münster 1638; idem, De ortu et progressu artis typographicae historia. Keulen, 1640.

(7)F.Ogier, Journal du congrès de Munster, Parijs 1893, p.168-169: Joly, Voyage (n.70), p.128.

(8)De la Fontaine Verwey, ‘Adriaen Pauw’, p.109, n.12 en 113.

(9)G.W.van Oosten de Bruyn, De Stad Haarlem en haare geschiedenissen, Haarlem 1765, p.277; Van der Linde, Geschichte (n9), p.372.

(10)G.J.Jaspers, De blokboeken en incunabelen in Haarlems libry. Haarlem 1988.

jaspers

Stofomslag: De blokboeken en incubabelen in Haarlems Libry, door dr.G.J.JaspersEen

 

(11)Van Oosten de Bruyn, Stad Haarlem, p.276.

(12)Van der Linde, Geschichte, p.374.

(13)Ook het exemplaar van de Nederlandse Spieghel in de Bibliothèque Muncipale de Lille (Incunable D45) is het Van de Velde-portret.

===

coster2

Illustratie van een boekdrukkerij, uit Laure-crans. 1628 Gravure J.van de Velde.

 ===================================================

BIJLAGE 4: VONDST CATALOGUS BIBLIOTHEEK JOHAN DE WITT

‘Utrecht- Prof.mr.G.C.J.J.van den Bergh van het Instituut voor Rechtsgeschiedenis van de Rijksuniversiteit te Utrecht heeft de catalogus gevonden van Johan de Witt (1625-1672). De Witt volgde Adriaen Pauw  in 1653 op als raadpensionaris en was evenals zijn voorganger een belangwekkend verzamelaar.

johan-de-witt-1

Portretgravure Johan de Witt (1625-1672), raadpensionaris van 1653 tot 1672

 

De catalogus omvat boeken en handschriften op het gebied van theologie, rechten, geschiedenis, aardrijkskunde, politiek, wiskunde, natuurwetenschappen, alsmede prenten, schilderijen, kaarten en munten. De bibliotheek is in september 1696 geveild door boekhandelaar Willegaerts in Dordrecht. De eigenaar werd in de catalogus aangeduid met de schuilnaam Janus Albinus. Van de catalogus zijn verscheidene exemplaren bewaard, onder andere in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, maar tot nu toe was onbekend wie achter de naam Albinus schuil ging. Volgens prof. Van den Bergh levert een tot dusver onopgemerkt gebleven brief van de beroemde jurist Cornelis van Bijnkershoek (1673-1743) het bewijs, dat Janus Albinus in feite Johan de Witt was. Deze brief, geschreven aan de Utrechtse hoogleraar van Eck bevindt zich in de Utrechtse universiteitsbibliotheek. Met deze vondst, zo meldt de Utrechtse universiteit, is een belangrijke bron gevonden voor de studie van de politieke denkbeelden en het wetenschappelijk werk van de beroemde staatsman, waardoor vermoedelijk een aantal tot dusver onopgehelderd gebleven kwesties dichter bij een oplossing kan worden gebracht’ (ANP-bericht, 20 januari 1985).

Bijlage 3: Toelichting op het vers ‘Neetelen’ [= Stekeligheden],  een schimpdicht op Adriaan Pauw en Maarten Tromp, door Johannes Six van Chandelier (1620-1695), uit: Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren (DBNL).

Tromp.png

De Britse schepen onder admiraal Blake vuren naar het schip de Brederode van admiraal Maarten Harpertszoon Tromp, aanleiding voor de Eerste Nederlands-Engelse zeeoorlog (1652-1654)

‘Neetelen, een hekeldicht met de kenmerken van een formele verssatire, en naar het voorbeeld van Juvenalis, veroordeelt op felle wijze het gedrag van de raadpenionaris Adriaan Pauw en admiraal Tromp bij het begin van de Eerste Engelse oorlog (1652-1654). Na het vlagincident tussen de admiraals Blake en Tromp (29 met 1652) was de dreiging van een oorlog met Engeland zo groot geworden dat de Staten raadpensionaris Adriaan Pauw (1585-1653) naar Londen stuurden om het daar al aanwezige gezantschap te ondersteunen bij de vredesonderhandelingen. Hij vertrok op 14 juni, maar zijn reis had niet het gewenste resultaat: op 10 juli verliet het gezantschap Londen, teruggeroepen door de Staten in Den Haag. Inmiddels hield Tromp zich met zijn omvangrijke vloot gereed voor de kust van Schouwen, terwijl de Engelse vloot bij Duins (even ten noorden van Dover) lag. De Staten hadden Tromp opdracht gegeven de vloot van Blake aan te vallen zodra die in zicht kwam, terwijl het voordien de politiek was geweest dat er pas geschoten mocht worden bij een Engelse aanval, Blake werd echter niet gelast naar Tromp, maar langs de kust naar het noorden te zeilen, waar een gekonvooieerde Hollandse haringvloot onder de Engelse kust viste en waar ook een Oosindische retourvloot werd verwacht, die langs Ierland en de Shetlands naar de Nederlandse thuishaven terugkeerde, om zo het Kanaal te vermijden. Blake zette op 7 juli vanuit Duins koers naar Hitland en tastte daar, nog tijdens de vredesonderhandelingen, de haringvissers aan. Die dagen na Blakes vertrek uit Duins verliet de vredesdelegatie Londen en ging scheep naar Holland. Ze ontmoette Tromps oorlogsvloot in volle zee (13 juli) en de admiraal kwam hoogstpersoonlijk aan boord van het schip van de raadpensionaris die hem de raad gaf eerst naar Duins te zeilen om de daar de niet erg grote vloot onder Ayscue aan te vallen. Ayscue was met zijn schepen bij Duins achtergebleven om de monding van de Theems te beschermen, maar ook om de doorvaart van het Kanaal afgesloten te houden en dit laatste was met name de reden voor Pauws raad aan Tromp. De admiraal achtte zich echter gebonden aan zijn opdracht, die hem voorschreef de Engelse hoofdvloot onder Blake aan te vallen. Reeds de volgende dag deed Pauw in Den Haag verslag van zijn missie. De Statenvergadering volgde zijn raad en verstrekte Tromp nog dezelfde dag de aangepaste opdracht om, zo het weer het toeliet, op te varen naar Duins. Het weer liet het toe, maar werkte zo tegen dat Tromp eerst op 20 juli in Duins arriveerde en daar door de wisselende windrichtingen geen kans kreeg Ayscue goed aan te vallen. Op 24 juli ontvingen de Staten uit zee het bericht dat Tromp naar het besluit had genomen onverrichterzijde naar het noorden te koersen om Blake alsnog aan te vallen. Een volgende brief uit zee dateert van 6 augustus. Tromp deelt daarin mee dat een zware storm in de nacht van 4 op 5 augustus zijn vloot bij Hitland uiteen heeft geslagen en dat hij met de schepen die hij nog heeft kunnen verzamelen, huiswaarts keert, zonder een schot op Blake te hebben gelost.

tromp1

Portret van admiraal Maarten Hzn. Tromp (1598-1653

Reeds bij Pauws terugkeer op 14 juli was er grote onrust onder het volk ontstaan. Pauw werd ervan beschuldigd Tromp te hebben aangeraden terughoudend te zijn in zijn offensief tegen de Engelsen. Hij zou Tromp gezegd hebben slechts aan te vallen als hij zelf beschoten werd. Het gerucht ging dat Pauw in de vergadering van de Staten ernstig berispt zou zijn over zijn gedrag. Zijn sterkte voorkeur voor vredesonderhandelingen boven een oorlog en zijn verbolgenheid over het naar zijn zin te vroeg terugroepen van het gezantschap werden in een kwaad daglicht hebben gehad en er werd gesuggereerd dat hij de kostbare bibliotheek en het tapijtwerk uit de nalatenschap van de drie jaar eerder onthoofde Karel I voor een kleine som zou hebben aanvaard. De gemoederen raakten zo verhit dat de Staten Pauw op zijn verzoek voorzagen van een wacht van enkele soldaten om zijn huis in Heemstede tegen plundering te beveiligen. Men uitte zijn misnoegen over Pauw en later, na de teleurstellingen van Duins en Hitland, ook over Tromp in felle pamfletten. Omder die pamfletten springen twee hekeldichten in het oog: het anonieme en op een schuiladres gedrukte “Den Hekel” en het met zonder naam of adres van de drukker uitgegeven “Latet anguis in Herba” (Er schuilt een adder onder het gras); respectievelijk Knuttel 7237 en 7238-7238a), die zich beide zowel tegen pauw als tegen Tromp richten, al is de aanklacht vooral gericht tegen Pauw, die Tromp zou hebben omgepraat of zelfs omgekocht. Tot zijn verdediging formuleerde een zich als ” Uytlander”  voordoende auteur een “Apologia voor de Heer Adraen Pauw” , die in Haarlem verscheen (Knuttel 7239-7242). Zijn “particulier profijt” bij de missie wordt daarin met kracht ontkend. Ook de veronderstelde koop van ’s konings boeken en tapisserieën wordt ontkend en vervolgens echter ook verdedigd als een te billijken transactie voor iemand “die bezich is om de llergrootste, aldercurieuste en vermaertste Liberye te maken van heel Duytslant en Nederlant (…)” . Pauw zou zich in Engeland voorbeeldig van zijn taak hebben gekweten en bij de ontmoeting op zee zou hij Tromp van het laatste nieuws over de Engelse vlootbewegingen op de hoogte hebben gesteld, hem “Gods Segheninghe, de starckte van Samson, de couragie van David ende de Wysheyt van Salomon” hebben toegewenst en hem vervolgens hebben “ge-embrasseert”, zonder hem de minste terughoudendheid in de strijd te hebben aangeraden. zou Pauw juist bijzonder wijs hebben gesproken toen hij een aantal Amsterdamse kooplieden een nee liet horen, toen zij hem verzochten hun een Kanaalkonvooi voor een terugkerende zilvervloot ter beschikking te stellen: het aantal beschikbare schepen zou te gering zijn geweest om het hoofd te bieden aan de Engelse overmacht. Zij die hem dit hadden verweten lieten naar zich kijken: “De ydelheyt van ’t breyn van dese Kaeckelaers, is dan met handen hier uyt te tasten”. De lasteraars van Pauw zouden ook niets zijn dan “doot  Vyanden van de Vryheyt van desen Staet, eerst recht gekregen nae de Doodt des leste Prins van Orangie, […]’ een zinsnede waarmee Pauws verdediger ten overvloede toont niet van orangistische signatuur te zijn. “Eyntelyck”, eindigt de auteur, “moet ich noch tot besluyt dien Goddelosen Schelm, die eer-Dief, die armen kreupelen Rijmer en Hekelmaecker, dit seggen: dat het geen komst is yemant een lack op te werpen, yemant achter rugge te beliegen, en hondert loghenachtige dinghen na te geven: en dat het immers diergelijcke guyt als hy is, even so lict soude zijn hem ses-mael meer Schelmstucken aen te wryven, als hy desen Heer doet met zijn ellensich dicht, aert dat hem maer kende wie dat hy is: Ick vrage U dan, soude die credibel [enig geloof waardig} zijn? O nee”: waerom? Antwoort om dat seggen niet en gelt sonder bewijs: So ghy nu Patriot wilt zijn van desen staet, als ghy u beroempt, en bethoonen kont dat desen Heer een verrader is, waerom komt ghy niet voor den dach en bewijst dat? op dat ghy daer voor een eerlijcke belooninghe verkrijgt, en lof en eer in lecht bij alle Ingesetenen des Lants: maer dewijle dat ghy dat niet en doet soo bethoont ghy aen d’een zijde dat ghy een Fielt zijt, een Vaghebont, een Lasteraer, een Leugenaer en een Hoofsche Pluym-strijcker en Panlickern, die alsnoch spijt barst dat hy sich selven met d’Amsterdamsche Penningen niet heeft konnen verrijcken en zijn handen wasschen in het Bloet van die arme onnosele en Goede Gemeente, en insonderheyt mede int Bloet van desen goede Heer, en van alle zijn lieve Kinderen en Medestanders die daer tegen waren [nl. tegen de verstekking van gelden aan Amsterdam voor de uitrusting van het genoemde zilvervlootkonvooi]’ (Knuttel 7242 fol.b3 verso). De Staten die zich bepaald niet ogenblikkelijk opwierpen als Pauws verdedigers, deden eerst op 14 augustus 1652, anderhalve maand na Pauws terukeer, een plakkaat uitgaan dat verklaarde dat hij zich goed van zijn taak had gekweten en dat zijn naam en faam schoonwaste van alle laster. De “onwaerachtige ende calumnieuse Propoosten, Libbelen ofte geschriften’ tegen Pauw werden, evenals alle dadentegen zijn pseroon, familie en bezittingen, verboden “op pene van onse hoogste indignatie ende verbeurte van Lijff ende goet” (Knuttel 7243).

De “Hekelmaecker” die door de “Apologia Voor de Heer Adriaen Paeuw” was uitgedaagd zich bekend te maken, is ongetwijfeld de dichter van het hierboven genoemde “Den Hekel” . Hij maakte zich in 1657 bekend door zijn gedicht in enigszins omgewerkte vorm te laten uitgeven in zijn bundel “Poësy”, nu onder de titel “Netelen. Behalve door de anonieme auteur van de “Apologia”  is Six ook door anderen aangevallen. Zo is de eveneens anonieme auteur van het “Vervolg van het Rotterdams Zee-Praatje” in 1653 nog zeer op “Den Hekel” gebeten, vooral omdat Tromp erin aangevallen was: “noyt is (dat ik weet) daar yets tegen gedaan noch ’t selve verboden…, […]'(Knuttel 7433, 1653, p.4)

six

Gravure van J.Stolker naar M.Jz. van Mierevelt, voorstellende naar wordt aangenomen de dichter Johannes Six van Chandelier (1598-1653)

Six heeft zich later van zijn veroordeling van Tromp gedistancieerd in zijn gedicht “Wraake”, waarin hij zich enigszins  tracht te verontschuldigen. Tegenover Pauw, die hij ook bedoelt in de felle prente van een gierigen ambasdsadeur, nam hij in zijn bundel echter nergens een mildere of excuserende houding aan.’ [DBNL}.   

Bijlage 5: stenen voor boeken: het grafmonument van Pauw in Heemstede

Aan het leven van Adriaen Pauw kwam op 67-jarige leeftijd een einde te midden van de (eerste) Engelse oorlog. Na een kort ziekbed overleed hij, terug van een vergeefse missie naar Londen, in zijn residentie in Den Haag in de namiddag van 21 februari 1653, naar wordt aangenomen als gevolg van een beroerte. In Den Haag werd eind februari de officiële uitvaartplechtigheid gehouden in de Nieuwe Kerk op de laatste dag van februari in aanwezigheid van leden van de Staten-Generaal en andere bestuurders en ambtenaren. Vervolgens is het stoffelijk overschot in een staatskaros naar Heemstede overgebracht, en ’s nachts opgesteld in de Geweerzaal voor de schouw van het Slot. Ten slotte is de lijkkist  gedragen  over de  door hem gebouwde Vredesbrug op 1 maart in presentie van zijn kinderen en familieleden en de predikant ‘in de kelder onder ’t choor van de kerke gedepositeerd’ (overeenkomstig zijn testamentaire beschikking van 22 december 1645), waar de lijkkist van zijn 1648 overleden echtgenote Anna van Ruytenburg al was geplaatst. Toen Adriaan Pauw in 1653 overleed waren al drie van zijn kinderen gestorven (namelijk Pieter in 1637, Nicolaas in 1640 of 1641 en Reinier in 1652 (met 14 kinderen) en leefden nog Anna, Gerard. Michiel en Adriaan jr. De erfenis bleek zeer gecompliceerd en voor een leenrechtadvies zijn naast Simon van Leeuwen nog een aantal hoogleraren uit Leiden en advocaten/juristen uit Den Haag en Rotterdam ingeschakeld, namelijk W.Biscop, W.van der Aar, Jacobus Mestertius, A.Vinnen, D.van Ceulen, D.de Jonge, F.van der Meer, M.van der Goes en P.van Peene.

Het zou nog tot 1657 duren alvorens de marmeren graftombe is gebouwd, feitelijk een hangende epitaaf, met aan de bovenkant twee wenende engeltjes en verder gebeeldhouwde wapens en wijdlopige opschriften over de verdiensten van Pauw voor Heemstede en de Republiek der Verenigde Nederlanden. ‘Excellentissimus Dominus Heemstediae requiescat in pace, pacis conciliator’.  Helaas zijn in het Pauw-archief geen gegevens gevonden met betrekking tot opdracht en ontwerp. P.F.Scholten meent dat het grafmonument is vervaardigd door bouwmeester en beeldhouwer Pieter de Keyser (circa 1595-1678), zoon van Hendrik de Keyser, die o.a. ook de praalgraven vervaardigde van o.a. Piet Hein in de Oude Kerk te Delft, van stadhouder Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg in Leeuwarden en van Reinout van Brederode te Veenhuizen.

tombe.png

Met het geld van de opbrengst van de bibliotheek zouden de erfgenamen de monumentale graftombe van Adriaan Pauw -aan de bovenkant geflankeerd door 2 wenende cherubijntjes in marmer – in de Oude Kerk te Heemstede hebben bekostigd, ontworpen door Pieter de Keyzer. Tekening van Gerrit Lamberts uit 1776 (Rijksmuseum)

 

 

grafmonument

Foto door G.J.Dukker van grafmonument Pauw in Oude Kerk Heemstede

 

grafsteen.jpg

Inscriptie grafstede Adriaen Pauw en Anna van Ruytenburgh (foto Vincent Martin)

Bijlage 6 Functies, buitenlandse gezantschappen en onderscheidingen + titels van Adriaan Pauw

6.1 FUNCTIES

1611 Pensionaris van de stad Amsterdam, als opvolger van dr.Albert de Veer tot 1627

Bewindvoerder der Oost-Indische Compagnie (1618-1641)

Curator van de Landsacademie in Leiden (17 november 1618 – 1627)

1627 (8 juli) -1636 (in functie tot 1631) eerste voorzittende raad en rekenmeester der Grafelijkheidsdomeinen van Holland en West-Friesland; nogmaals van 1636 tot 1652

staten

Bijeenkomst van de Staten-Generaal in de Grote Zaal (Ridderzaal) op het Binnenhof op een schilderij uit 1651 toen Adriaan Pauw raadpensionaris was. Pauw was lid van de Staten namens Amsterdam van 1631 tot zijn overlijden in 1653; zijn vader Reynier Pauw vervulde die functie namens Amsterdam van 1619-1622.

 

9/12 april 1631 – 31 maart 1636 Raadpensionaris der Staten van Holland en West-Friesland; tevens grootzegelbewaarder en pensionaris der ridderschap.

Nogmaals als opvolger van Jacob Cats van 4 oktober 1651 tot zijn overlijden 21 februari 1653. Pauw is opgevolgd door Johan de Witt.

1645 (15 mei) -1651 hoofingeland Van Delfland (als afgevaardigde namens de Rekenkamer)

6.2. Buitenlandse gezantschappen

pauwkeurvorstbrandenburg1618

Audiëntie van Pauw bij de Grote Keurvorst van Brandenburg in 1618 (Atlas van Stolk)

 

Van mei tot december 1618: met o.a. Florentius van Pallandt (graaf van Culemborch), en Johan Berck (pensionaris van Dordrecht), Albert Joachimi uit Zeeland (later ambassadeur van de Staten in Engeland) en Taco van Burmania Uit Friesland als ambassadeur naar o.a. het Hof van koning Christiaan IV van Denemarken en Noorwegen in Kopenhagen; Johann Sigismund, keurvorst van Brandenburg in Berlijn; overleg met magistraten van de Hansesteden Bremen, Hamburg en Lübeck. Het gevolg omvatte een tachtigtal personen ‘allegaer seer statelick ende heerlick utgherust, doch insonderheyt de Grave van Culenborch, want selfs sijn pagie ende lackeijen in blaeu fluweel gecleet waren.’ [in: Foppe van Aitzema; bijdrage tot de kennis van de diplomatieke betrekkingen der Nederlanden tot Denemarken, de Hanzesteden, den Nedersakischen Kreits en den Keizer tijdens den dertig-jarigen oorlog. Proefschrift Utrecht 19 maart 1920 door Gerrit Das].

brandenburg

Johan Sigimund , van 1608-1619 keurvorst van Brandenburg

1621 en 1624/1625 Met o.a. Van Aerssen, heer van Sommelsdijk, Boetselaer, Van Essen, Van Bouckhorst, van Noordwijk, Manmaker en Ploos  buitengewone gezantschappen naar Frankrijk met als resultaat het tractaat van Compiègne; een verbond van onderlinge bescherming

1628-1629  buitengewone ambassade – met de heer A. van Randwijck – naar Engeland naar aanleiding van de geschillen tussen Frankrijk en Engeland. (In 1629 reisde ook Pauw’s echtgenote mee met ’s Lands schip van oorlog.

1632-1633 Onderhandelaar in o.a. Den Haag en Brussel over een mogelijk bestand casu quo vrede met Spanje

1634-1636 met o.a. Johan de Knuyt als ambassadeur verblijvend aan het hof van Lodewijk XIII in Parijs. Begin april 1636 terugkerend naar Den Haag nadat prins Frederik Hendrik heeft ‘geregeld’ dat de meer volgzame Jacob Cats als raadpensionaris Pauw opvolgt (1).

1642-1648 eerst in Den Haag en van 1646-1648 in Munster plenipotentiaris voor Holland en West-Friesland (met Johan van Matenesse) bij de Westfaalse vredesonderhandelaren in Munster.30 januaro 1648 sluiting van het vredestractaat, op 15 mei zijn in Munster de ratificatiën uitgewisseld.

1649 buitengewone ambassade naar Engeland in verband met een poging de voorgenomen onthoofding van koning Karel I te voorkomen, de missie mislukt. (Tijdens het gezantschap van Pauw van 1 februari tot 11aart 1649 werd hij begeleid door o.a. Constantijn Huygens jr.).

December 1651  buitengewone missie naar Engeland van Pauw met Jacob Cats, Gerard Schaep en Paulus van de Perre naar aanleiding van de zeeslag bij Dover tussen de admiraals Blake en Tromp. Pauw brengt rapport uit aan de Staten-Generaal op 15 juli en wordt gerehabiliteerd van beschuldigingen door zijn tegenstanders

Augustus 1652 nieuwe missie van Pauw naar Engeland.

(1) De moeizame relatie tussen prins Frederik Hendrik en raadpensionaris Adriaan Pauw is voortreffelijk samengevat door dr.J.J.Poelhekke in het boek ”Nassau en Oranje in de Nederlandse geschiedenis’, op pagina 136. In april 1631 werd als opvolger van Antonie Duyck  tot 1629 en Jacob Cats ad interim wederom een vaste functionaris als raadpensionaris benoemd.

frederik

Stadhouder prins Frederik Hendrik, die Pauw als een politieke concurrent zag en in 1634 met een missie naar Frankrijk handig wegwerkte. In 1647 overleden kon de Amsterdammer Pauw vervolgens in 1651  aan het begin van het stadhouderloze tijdperk opnieuw raadpensionaris worden. Hij was geen hoveling in de zin van zijn voorganger Jacob Cats (schilderij door Michiel Jansz. van Mierevelt)

 

Citaat: ‘Het ging om mr. Adriaan Pauw , reeds sedert vele jaren oud-pensionaris van zijn vaderstad Amsterdam, wat hij geworden en geweest was als zoon van prins Maurits’  voornaamste vertrouweling in Hollandse regentenkringen, de als het ware pro-contraremonstrant, burgemeester Reinier Pauw. Die zoon moest dan ook wel een reuzenzwaai aan de politieke rekstok maken om zich aan te passen aan het nieuwe, vòòr  alles in zijn eigen vaderstad  belichaamde humeur van het Hollanderdom dat hem in zijn emplooi nam. Die reuzenzwaai maakte hij, en zelfs met zoveel succes, dat hij achteraf moet worden aangemerkt als eigenlijk Frederik Hendriks enige politieke tegenstander van formaat. Maar dat brak hem dan ook niet zuinig op, want al mag het dan – daar zijn wel aanwijzingen voor – een tijd lang goed zijn gegaan, toen Pauw zich blijkbaar begon te ontpoppen als potentiële tweede kapitein op de brug, verkoos Frederik Hendrik hem niet als zodanig te dulden. En in het midden der dertiger jaren was hij machtig genoeg om deze, na hem zelf meest invloedrijke ambtenaar der Hollandse grafelijkheid op legale wijze te wippen. Hoe hij dit deed, was bijzonder knap. Toen het er, na vele, eigenlijk niet meer dan warm-houd-subsidietractaten, in 1634 naar begon uit te zien dat de kans schoon was weer een werkelijke alliantie te sluiten met de koning van Frankrijk, wist de prins het zo te spelen, dat Adriaan Pauw samen met zijn eigen Zeeuwse vertrouweling Johan de Knuyt erop afgestuurd werd. Iets zo belangrijks als het sluiten van die alliantie konden de Hollanders niet zo maar aan een, daarbij dan nog niet-Hollandse prinsenman overlaten. Maar toen hun raadpensionaris eenmaal in Parijs zat, moesten zij er weldra in berusten, dat hij, ook na volbrenging van zijn opdracht, pas huiswaarts mocht keren nadat hij had toegezegd niet te reflecteren op een tweede ambtstermijn, die in april 1636 had zullen ingaan. En wie dan ten slotte, na het opnieuw twee jaar te hebben waargenomen, met het hoge ambt zal worden belast is, graag of niet, Jacob Cats.’ 

6.3. Onderscheidingen en titels

 1610 (22 oktober) Promotie tot ‘Doctor Juris’ met de hoogste graad aan de Universiteit van Leiden

1613 (10 oktober) James 1 (Jacobus), koning van Engeland en Ierland nobileert Pauw tot Eques Auratus (Gulden Ridder).

1621 (12 februari) Reynier Pauw en al zijn nakomelingen worden genobileerd door de Engelse Koning James I en de familieleden wordt toegestaan een distel in het wapen te voeren.

1621 (april) Koning Lodewijk XIII verheft Adriaan Pauw en zijn nakomelingen in de ridderstand. Het diploma waarbij zijn vader Reinier Pauw (en al diens nakomelingen) in de Franse adel wordt verheven dateert van 1622. Tevens permissie om de Franse lelie in het wapen op te nemen. Reinier Pauw maakte overigens geen gebruik van deze titel, in tegenstelling tot de zonen

1624 Koning Louis XIII (Lodewijk) verheft Pauw tot ridder in de orde van Sint Michaël (als blijk van waardering voor het gesloten tractaat van Compiègne.

1624 Het hartschild met één Engelse lelie, in 1622 aan zijn vader verleend, wordt door een schildje met drie lelies vervangen (Adriaan Pauw’s nakomelingen voerden echter slechts één lelie

1628 (20 februari) Adriaan Pauw en zijn nakomelingen worden gerechtigd de roos van Engeland in zijn wapen te voeren.  [26 februari ontving de zoon Pieter een speciale brief van Adeldom van Koning Jacobus I]

4 juli 1628 toekenning ere-doctoraat Magister in Artibus van de Universiteit van Cambridge aan ‘Sir Adrian Pawe, Knight, Lord of Hemsestidd’, uitgereikt in aanwezigheid van o.a. zijn echtgenote. Tegelijk met de her van Randwijk en duidelijk bedoeld om de Hoog Mogende Heren te eren voor hun streven naar goede verhoudingentussen Engeland en Nederland

Ambachtsheer van Heemstede, inclusief Bennebroek, Rietwijk, Rietwijkeroord, Nieuwerkerk, Zuid-Schalkwijk, Vijfhuizen, Oosterwijk (in Beverwijk), Schakenbos (Zuid-Holland) en Hoogersmilde (Drenthe) [Verder had hij belangen bij droogmakerijen in de Bijlmer, Purmer, Schermer, Heer Hugowaard, Wieringerwaard en ‘s-Graveland]

6.4 Lot van het heerlijkheidsarchief Heemstede en familie Pauw

boetzelaer

Schrijven aan mw. J.G.R.B. de Boetzelaer, 12-9-1756 (kopie uit archief Pauw van Wieldrecht in het Nationaal Archief)

 

Het heerlijkheidsarchief Heemstede is na het overlijden van Adriaan Pauw overgegaan naar de oudste zoon Gerard Pauw als opvolger van zijn vader. In 1910 is het toen de door toenmalige ‘ambachtsheer’ H.H.Beels van Heemstede aan de gemeente overgedragen en in 1911 verzorgde de heer P.N.van Doorninck een ‘Inventaris van het archief van de Heerlijkheid Heemstede (Haarlem, Gebrs. van Brederode, 1911). Tegenwoordig bevindt zich dot archief, evenals ook o.a. het vroegere heerlijkheidsarchief van Bennebroek, in het Noord-Hollands Archief te Haarlem. Uit een schrijven gedateerd 12 september 1756 aan mevrouw J.G.R.B.de Boetzelaer Langerak in Den Haag blijkt dat volgens uitgever Jacques Tirion papieren van het familiearchief zich toen bij een boekhandel in Amsterdam bevonden. Deze zijn vermoedelijk terecht gekomen bij de familie Pauw van Wieldrecht, die in de loop van de jaren ook zoveel mogelijk portretten van telgen uit het geslacht Pauw verzamelde. Overigens moet opgemerkt worden dat Willem Dolleman bij het schrijven van zijn geschiedenis van Heemstede, ook een inventarislijst opstelde van de familiepapieren ban Pauw onder de titel: ‘Inventaris van alle de Documenten, Boeken, Caerten, Chartes en Papieren  – in 1793 – op ’t groot Comptoir van den Huyse van Heemstede’. (1). Het familiearchief Pauw van Wieldrecht.is intussen overgedragen aan het Nationaal Archief in ‘s-Gravenhage. Van de portretten is door E.K.Wolleswinkel een nieuwe inventarisatie vervaardigd onder de titel ‘De portretcollectie Pauw van Wieldrecht op “Broekhuizen” in Leersum’, in 2 delen gepubliceerd in: 1) Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie. Deel 47, 1993, p. 147-174; en 2) Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie. Deel 48, 1994, p.108-137.

(1)  Dit staat los van bijlage G: ‘Caerten en Teikeningen, de Heerlykheid, Huyse en Plantage van Heemstede betreffende’, welk materiaal in tegenstelling tot de familiepapieren Pauw, in Heemstede is gebleven.

 

Pauwintocht.png

Intocht van ambassadeur Pauw (met echtgenote en kleindochter) in Munster, 1646, door Gerard ter Borgh (Stadsmuseum Münster)

pauwstraat

Adriaan Pauwstraat in Den Haag (Statenkwartier Scheveningen). Voorts zijn straten naar de staatsman vernoemd in o.a. Apeldoorn, Groningen, Delft, Rotterdam, Heemstede, Zwijndrecht, Wassenaar, Zwolle, Hoogersmilde en Vlaardingen.

Adriaen.jpg

Huize ‘Adriaen Pauw’, Blekersvaartweg 8 Heemstede; een gemeentelijk monument

AP1

Opschrift van voorgevel Blekersvaartweg 7/8 Heemstede (TravoBuddy)

Pauwlaan

Oude ansichtkaart van villa’s aan de Adriaan Pauwlaan

 

Pauw.png

Het intussen niet meer bestaande en afgebroken Chr. Atheneum Adriaen Pauw in Heemstede omstreeks 1975

 

 

bedoeling.jpg

Het is de intentie dat op de plaats van de vroegere Adriaen Pauwschool aan de ir.Lelylaan in de toekomst huizen verrijzen

 

 

penning.png

Penning gewijd aan Adriaan Pauw, in 1985 bij zijn 300ste geboortejaar vervaardigd door edelsmid Joos van Vlijmen

Wolffpauw

In Heemstede zin twee borstbeelden van Adriaan Pauw te vinden, 1 bij het Oude Slot (op bovenstaande foto) en 1 bij de Pauwehof nabij de Oude Kerk, beide sculptures vervaardigd door Ellen Wolff

Pauwlaan2.jpg

Naar Adriaan Pauw zijn straten vernoemd in o.a. Delft, Groningen, Den Haag, Rotterdam en Vlaardingen. Bovenstaand gezichten in de Adriaan Pauwlaan, gelegen in de Raadpensionarissenwijk van Heemstede. Ilustratie uit: Het Heemstede Boek, door Chris Hoefsmit, Fred Icke en Christiaan Hoefsmit.

 

pauw.jpg

In de zomer van 1993 organiseerde de Vereniging Oud Heemstede Bennebroek een tentoonstelling in het Oude Slot te Heemstede gewijd aan de geschiedenis van de plaats Heemstede met een knipoog ook naar Adriaan pauw. Bovenstaand de voorzijde van een toen uitgegeven flyer.